Categorieën
Columns Politiek

GEMANKEERDE VERGELIJKING OVER PREMIERS

Historische vergelijking zijn altijd hachelijk, ook als het om personen gaat.

Door Bert van den Braak op Parlement.com

Premiers als Willem DreesRuud Lubbers en Wim Kok hadden veel gezag. Daarom werden zij partij-overstijgend gewaardeerd. Hoe anders is dat nu? Dick Schoof ontbeerde gezag en aanzien en dat lijkt voor Rob Jetten evenzeer het geval te zijn. En dat terwijl een ‘bindend politicus’ nu, in een zo gefragmenteerd politiek landschap, meer dan ooit wenselijk is. Hadden we maar weer een ‘Drees, Lubbers of Kok’ is de verzuchting die van tijd tot tijd opklinkt. Maar is er grond voor die wens, laat staan verwachting?

Individualisme was in het tijdperk-Drees een politieke ver-van-het-bed-show.

Of een politicus een goed minister-president wordt, hangt af van vele factoren. Politieke en bestuurlijke ervaring, leidinggevende capaciteiten, toegankelijkheid voor media en kiezers, vermogen om complexe vraagstukken vlug te doorzien. Maar andere factoren (economie, crisesmanagement) zijn minstens zo belangrijk voor een positieve beeldvorming. Verder moet de kanttekening worden gemaakt dat het ambt in betekenis toenam, dat omstandigheden sterk veranderden (meer overheidstaken, groei van de media, internationale rol) en dat politieke en maatschappelijke verhoudingen (denk aan de verzuiling) sterke invloed hadden op het premierschap en het beeld van de persoon die dat ambt bekleedde.

Dit boek komt nog uit.

Voor de meeste premiers gold dat zij ministeriële ervaring hadden. Dat was echter geen garantie voor succes, zoals bij Marijnen en in mindere mate Biesheuvel bleek. Mark Rutte was niet eerder minister, maar wel een politicus-pur-sang. Balkenende slaagde er daarentegen in, ondanks gemis aan die ervaring, tien jaar premier te blijven. Opvallend is dat pas vanaf 1971 het premierschap definitief werd verbonden aan politiek leiderschap. De Quay, Marijnen, CalsZijlstra en De Jong waren dat niet. De enige uitzondering na 1971 is Dick Schoof.

CDA-verkiezingsaffiche uit 1986.

De (later) als succesvol beschouwde De Quay en De Jong waren eerder politicus-tegen-wil-en-dank. Voor beiden gold dat zij in hun rol groeiden en goede teamleiders waren. Maar minstens zo belangrijk was dat hun premierschap viel in een tijd van welvaartsstijging en dat er ruime politiek ‘dekking’ was. Hun kabinetten, die allebei de ‘eindstreep’ haalden, waren, ondanks deelname van vier partijen, tamelijk homogeen. De bredere waardering kwam later, maar welke ‘jongere’ zal de naam De Quay of De Jong nog iets zeggen?

Leest u verder via: https://www.parlement.com/column/202605/gemankeerde-vergelijking