Door Arend Hazekamp
Geert Oorthuis (1878-1933) was een strijdbare veenarbeider en vrije (niet partijgebonden) socialist uit Emmer-Compascuum. Hij was een van de voormannen van de lokale vakbond Vooruitgang is ons Streven (VIOS) die in 1901 werd opgericht met 82 leden.
De organisatie stond onder leiding van vrije socialisten. Simon Smit was voorzitter van deze vakbond, Oorthuis secretaris. Smit sprak over Oorthuis als een ‘ernstige en sympathieke kameraad’.
Beiden speelde ook een vooraanstaande rol in de Noordelijke Federatie van Landarbeiders. Oorthuis was duidelijk in wat hij nodig vond: ‘Dus ons verenigd in een organisatie, die staat op het standpunt van den klassenstrijd, die weet van aanpakken wanneer zij het noodig oordeelt; revolutionair in haar optreden, dáár zullen de patroons rekening mede houden.’
Opmerkelijk was het bestaan van een aparte vrouwenorganisatie, Zustertrouw, genaamd. Veenarbeid was gezinsarbeid, de vrouwen moesten volop meewerken in het veen om het gezinsinkomen op peil te brengen.

VIOS was lid van Nederlandse Landarbeidersbond die na 1900 sterk in opkomst was en enkele duizenden leden telde, vooral in de drie noordelijke provincies. Het verenigde zowel de veld (boeren)arbeiders als de veenarbeiders. In hun blad De Landman maakte Oorthuis in 1902 de veenbaas W. Bakker uit Stadskanaal uit voor uitzuiger en noemde hem een tiran. Een oud echtpaar dat voor hem werkte en in een keet van hem woonde, werd het gebruik van turf – wat gebruikelijk was in de venen – onthouden.
Bakker beriep zich op het huurcontract waarin van gebruik van turf geen sprake was. Nee, zei De Landman, dat klopt, maar in het contract werd ook niet gerept over een arbeidsverhouding met de veenbaas. Laat staan dat ze van het gebruikelijke recht op brandstof zouden hebben afgezien.
Toch werd Oorthuis door de rechter wegens smaad veroordeeld tot acht dagen celstraf of acht gulden boete. De vrij-socialistische voorman van Assen, Jan Smit, spande zich in om geld in te zamelen voor een advocaat die Oorthuis in hoger beroep kon bijstaan. Volgens hem was de vrijheid van drukpers in het geding. Het blad De Landman sprak van ‘klassenrechtspraak’.
Oorthuis ging in hoger beroep, waarvoor een advocaat nodig was en dat kostte maar liefst 30 gulden, een groot bedrag voor die tijd. VIOS schoot dit bedrag voor uit haar kas, maar financiële steun was nodig. Smit zamelde een deel van dit bedrag in. (Over de uitkomst van het hoger beroep heb ik helaas geen gegevens kunnen vinden.)

Naast VIOS was Oorthuis actief in de Vrije Groep van Emmer-Compascuum, de lokale groep van vrije socialisten. Hij was actief betrokken bij het blad van de noordelijke vrije socialisten, De Arbeider, waarvan hij jarenlang de lokale correspondent was. Hij was ook agent van het blad. Dit hield in dat hij het blad verspreidde, het abonneegeld inde en abonnees wierf.
Om het blad financieel te steunen gaf hij soms geld (‘steunpenning’) en zette hij nieuwjaarswensen in deze krant. Oorthuis verkocht ook lectuur, zoals de Socialistische Scheurkalender en de Socialistische Almanak.
Op een lotingsdag voor dienstplichtige jongens (niet iedereen hoefde aanvankelijk daadwerkelijk in dienst) in 1903 ageerden de vrije socialisten in Emmer-Compascuum tegen het leger waar de jongens – zo meenden zij – tot moordenaar werden opgeleid.
In 1906 had Oorthuis met twee andere actieve vrije socialisten bij de veenbazen voor teveel veengrond ingetekend om te ontginnen. Ze verwachtten dat ze als ‘voormannen in de arbeidersbeweging’ geboycot zouden worden, maar daar was geen sprake van. Nu bleken ze teveel te hebben gepacht. Ze konden echter geen compagnons vinden en zouden nu arbeiders in dienst moeten nemen om aan hun verplichtingen te kunnen voldoen. Dat was pijnlijk voor deze arbeiders die de loonslavernij juist wilden afschaffen.
Oorthuis kende een voorliefde voor het toneelspel. Verschillende keren verzocht hij in De Arbeider hem tegen verzendkosten toneelstukken toe te zenden. Begin 1907 stond hij aan de wieg van de oprichting van de toneelclub Kunst na den Arbeid waar meteen zeventien mensen lid van werden. Oorthuis werd secretaris van deze vereniging. Men had behoefte aan geschikte toneelstukken met ‘propgandistische waarde’.
Dat het een serieuze club was die over ‘goede krachten’ beschikte, bleek uit de opvoering van een stuk van de vergeten socialistische toneelschrijver Inte Onsman. In Nieuw-Amsterdam gaf men een ‘uitstekende vertolking’ voor een overvolle zaal (350 mensen). Velen moesten teleurgesteld worden.
Het verloop in de vereniging was aanzienlijk. Een vrouwelijk lid haakte af omdat ze moest trouwen met een katholieke man! Nieuwe krachten waren minder succesvol en de uitvoeringen trokken minder publiek.
Oorthuis maakte geregeld deel uit van het Comité dat plaatselijk de 1 meiviering organiseerde. In 1908 deed hij dat samen met Simon Smit, B.P. Herder, D. van Buiten en Lub. Oldersma. Lijsten om mee te doen waren te verkrijgen bij J.J. de Jong, R. Iedema en P. van Vondel.

Begin 1909 werd Oorthuis secretaris van de zojuist opgerichte afdeling van de Algemene Nederlandse Geheelonthoudersbond (ANGOB) met zeventien leden. De vrije socialisten dronken en schonken geen alcohol. Had Domela Nieuwenhuis niet gesteld ‘denkende arbeiders drinken niet en drinkende arbeiders denken niet’? Ook van de Vrije Groep werd Oorthuis in deze periode secretaris.
In maart 1911 kritiseerde hij het optreden van vrij-socialistische debaters en publiek die het in Emmer-Erfscheidenveen hadden voorzien op een spreker van de SDAP. Ze gedroegen zich in woord en gebaar nogal stevig en luidruchtig. Dergelijke wanordelijkheden tegenover de sociaaldemocraten – die als tegenstanders werden beschouwd – dienden de zaak van het vrije socialisme niet, zo meende Oorthuis.

Later dat jaar organiseerde de Vrije Groep openluchtbijeenkomsten in Emmer-Compascuum en omgeving. Ze gingen er op de fiets naar toe en verzamelden bij Oorthuis.
In 1913 vertrok Oorthuis met zijn gezin naar het buurtschap Dikbroeken bij Nieuw Weerdinge waar hij een klein landbouwbedrijfje opzette. In latere jaren was hij boer in Sellingen om uiteindelijk naar Emmer-Compascuum terug te keren.
Hij was in 1898 getrouwd met Sjoekje Dijkstra met wie hij vijf kinderen kreeg (Hendrik, Jouke, Aagje, Aaltje en Geert). Zijn zonen Hendrik en Jouke weigerden de militaire dienstplicht, wat hen beiden gevangenisstraf opleverde.
Zoon Geert Oorthuis, een ‘nakomertje’ geboren in 1919, emigreerde in 1956 naar Canada. Zijn dochter Gitta Oorthuis bezorgde mij de foto’s van haar grootvader en Domela Nieuwenhuis. Dat gaf mij de aanleiding het verhaal van haar grootvader verder in kaart te brengen.
In mijn boek ‘Geestverwanten van Ferdinand Domela Nieuwenhuis, het vrije socialisme in Groningen, Friesland en Drenthe 1890-1940’ kun je veel meer lezen over de vrije socialisten in Emmer-Compascuum, zie: https://www.uitgeverijlouise.nl/boeken/boek…
Het boek is sinds kort uitverkocht, maar enkele exemplaren zijn nog verkrijgbaar bij de auteur: geestverwantenfdn@gmail.com.

In mijn nieuwe boek ‘Vrije Socialisten in Verzet 1940-1945’ komt Emmer-Compascuum eveneens aan bod, zie: https://www.uitgeverijlouise.nl/boeken/boek….