Enkele maanden na zijn overlijden op 19 juni 2026 slaagt Eppie Dam erin een feestje te bouwen voor liefhebbers van poëzie en mooi verzorgde boeken. En misschien ook wel voor visliefhebbers, natuurliefhebbers en milieubeschermers in Koudum, Friesland of daarbuiten. Want de bij de Afûk verschenen dichtbundel Viva La Vis, met illustraties van Yke Reeder en vormgegeven door Monique Vogelsang, is een lust voor het oog. En, niet onbelangrijk, de gedichten in deze postuum verschenen bundel horen tot het beste wat Dam heeft geschreven.
Eppie Dam weet ook in Viva La Vis het gewone weer bijzonder te maken en hij doet waar hij zo goed in was: heerlijk gebruik maken van de klankrijke Friese taal. Zo weet hij in 58 gedichten een groot aantal vissen op zijn geheel eigen wijze te beschrijven. Voor die gedichten gebruikt hij uiteenlopende dichtvormen, die in ieder geval gemeen hebben dat ze zijn vakmanschap en technische beheersing op een onnadrukkelijke manier laten zien.

Datzelfde geldt voor de mix van humor en ernst die op een spontane en natuurlijke manier in elkaar overvloeien en elkaar versterken. De vissengedichten zijn even muzikaal als de vogelgedichten in Tsjilp! (2016) en door de afwisselender vormen nog speelser. Door de vele subtiele grapjes en verwijzingen zijn de vissengedichten in Viva La Vis meer op volwassenen gericht dan de vogelgedichten in Tsjilp!.
De bundel opent met een dichterlijke ‘Gids fan de finnen’:
Yn it wurdboek fan de fisken
binne soarten gâns te tellen,
elk mei eigen glâns en wil.
Fisken komme altyd boppe.
Tusken salmen en forellen
makket swimmen gjin ferskil.
Om in de derde en laatste strofe de mensen onder de loep te nemen:
Yn it wurdboek fan de minsken
swimme fisken ûnderstboppe
yn har eigen habitat.
Minsken driuwe altyd boppe.
Dêrom moatte fisken roppe
mei har adem fan tekoart.

Dan volgen in twaalf hoofdstukjes of afdelingen telkens twee tot acht gedichten over een bepaalde soorten als baarsachtigen, zalmachtigen, makreelachtingen of kabeljauwachtigen. Alleen de afdeling karperachtigen is groter, met maar liefst 15 gedichten. Het laatste hoofdstukje is de afdeling ‘aangespoeld’ en dat eindigt met het titelgedicht ‘Viva la vis’, over de roofblei, een exotische roofvis uit Oost-Europa die zich inmiddels ook stevig in de Nederlandse wateren gevestigd heeft:
Der Rapfen ist ein Deutscher Fisch
en smeket: ‘Ach nicht fangen please.‘
Yn Frankryk hyt in fisk poisson
en stjerre wol er non, oerlibje oui en yes!
De Hollandse ruisvoorn rûzet troch de reiden
om ademboosters fan Fryske wyn te krijen.
Alle fisken swimme yn ’t bassin fan âld Latyn,
in deade taal fan al wer tiden lyn.
Mar Viva La Vis noch miskien!
Net als bij de vogelgedichten in Tsjilp!, staat bij elke beschreven vis de benaming in het Fries, Latijn, Nederlands, Engels, Duits en Frans. Bij een aantal gedichten staat ook nog een kort commentaar, opvallend genoeg in het Nederlands. Dat commentaar kan alle kanten opgaan. Bij het gedicht ‘Snotterlapen’, over de Schele Pos, wordt in het commentaar de in het gedicht gebruikte Friese uitdrukking ‘de lapen gearsmite’ uitgelegd. Het gebeurt meer dat een Fries woord of een Friese uitdrukking in het Nederlandse commentaar uitgelegd wordt.
Het commentaar bij ‘Salmkrimp’ legt uit dat dit gedicht een kleine ode is aan de Joods-Tsjechische schrijver Ota Pavel. Het is niet de enige literaire verwijzing, Dam verwijst ook naar ‘Het lied der achttien dooden’ van Jan Campert, of naar de Fries-Nederlandse dichter Harmen Wind. Zoals hij ook een keer wijst op een Bijbelcitaat.

In een commentaar bij het gedicht ‘Gongbere namen’ wijst Dam op de vele namen die verdwenen zijn van Thieme’s grote natuurgids uit 1972. Het is een van de verwijzingen naar wat er door toedoen van de mens met de natuur gebeurt. In de gedichten gaat Dam de vervuiling van de oceanen bijvoorbeeld niet uit de weg, zoals in ‘Fokshaai Haye’ of in ‘Yn ‘e striid’, waarin de kwabaal zich de blubber werkt tegen plastic, piepschuim en rubber.
Soms legt het commentaar iets meer uit over de beschreven vis, zoals bij het gedicht ‘Petear, gesprek of spraakgebrek’, over de communicatie tussen de platvissen tong en schar, waaruit dit fragment.
Sa sprieken tong en skar tegearre
en lieten elk har tongfal hearre,
al sei de iene leaver heare
(sa fiere minsken ek petearen
om oaren noch wat taal te learen)

De illustraties van Yke Reeder, met name de paginavullende kleurenplaatjes, passen uitstekend bij de gedichten van Eppie Dam. Ze weet op vaak op even subtiele wijze als Dam in de gedichten, humor toe te voegen, zoals in de tekening bij het gedicht ‘Kop yn ’t sân’. Een enkele keer ligt het grapje misschien wat voor de hand, maar dat maakt de tekening niet minder sterk, zoals bij het gedicht ‘Lytse knaap’. Een enkele keer pakt de samenwerking tussen gedicht, tekening en vormgeving wel heel erg mooi uit, zoals op bladzij 76-77 over de goudvis die rondjes in een kom zwemt.

Hopelijk heeft de dichter nog wat kunnen zien van hoe mooi deze bundel eruit zou komen te zien. Viva La Vis bewijst in ieder geval dat Eppie Dam tot zijn laatste adem schreef met het vakmanschap en de speelsheid die we van hem gewend zijn. Dankzij de trefzekere poëzie, de kwinkslagen in het commentaar en de geslaagde samenwerking met Yke Reeder en Monique Vogelsang is dit boek een feest geworden dat nog lang mag klinken. Lang leve de vis, en lang leve de poëzie van Eppie Dam!
© Jelle van der Meulen