Categorieën
Poëzie

DE ZOMERHEL

De hitte is deze zomer meedogenloos. De ratten komen uit de diepste holen en knagen aan het vriesvak vol met waterijs. Eenden zeggen het warme water van de stadsgracht gedag en vliegen naar koude streken in het noorden.

De drukte in het gemeentelijk zwembad is moordend. Drie badmeesters zien het niet zitten en nemen snipperdagen. Vier vrijwilligers draaien daardoor overuren. En directieleden zitten te pootjebaden in het ondiepe kinderbad.

Het koude bier is niet aan te slepen. Zelfs het personeel van de apotheker lurkt aan de overheerlijke kouwe blikjes tussen de bedrijven door. Het terras van de oudste kroeg van onze stad zit overvol. Het faillissement wordt door verzekerde winst nog even uitgesteld.

Marinepersoneel ligt in de kombuis urenlang te luieren. Aan dek is het vreselijk heet. De commandant is evenmin een zonaanbidder en appt naar zijn vrouw dat een vijfde aanval van migraine gaande is. Het onderzeebootpersoneel weigert vakantie en wil onder water blijven.

Het crematorium kan bezuinigen op het gebruik van de ovens, want de stoffelijke overschotten verpulveren tot as op een zeer zonnige plek gelegen in een strategisch gelegen tussenruimte. Verder over de allermeeste gestorvenen niets dan goeds.

Overmorgen en de week daarna zetten we weer een tandje bij. We bidden tegen de waardevermindering van het geld en knuffelen met onze dieren. Stilletjes bereiden we ons voor op de klaagzang van de tweede hitteperiode inzake deze zomerhel.

© Wiebe Dooper
© Foto Wim Schut