Categorieën
Blik op Bolsward Boeken Cultuur Fryslân Geschiedenis

‘Lieflijk, Bolswerd, zijn Uw vesten, meer nog zijn uw maagden schoon’

Ik herinner het me nog goed. Het was tijdens mijn studie Nederlands in de jaren ’70. Niet eenmaal, maar tijdens een flink aantal lessen letterkunde ging het over een bijzonder tijdvak in die letterkunde, de vroeg-romantische periode in de 19e eeuw. En daarbij kwam één naam voortdurend voorbij: die van Jacob van Lennep (Amsterdam, 1802 – Oosterbeek, 1868). Deze doctor in de Rechten, en zoveel meer, heeft onnoemelijk veel geschreven: artikelen, gedichten, historische verhalen, juridische verslagen en historische boeken, vaak met sterk nationalistische inslag. Als aanhanger van een conservatieve politieke stroming was hij ook enige tijd parlementariër. De vele tientallen schrijfsels mogen meest alle vallen onder de noemer ‘romantiek’, met name die van de historische romantiek. Hij was een overtuigd volger van de grondlegger van de historische roman, Sir Walter Scott (1771–1832), een invloedrijke Schotse dichter en romanschrijver (denk aan Ivanhoe), maar ook een kundig historicus. Veel van het werk van Van Lennep rust op de literaire schouders van deze Walter Scott.

Jacob van Lennep

De letterkundige realiteit is dat in de negentiende eeuw Jacob van Lennep de meest toonaangevende en gelezen schrijver in Nederland was, maar die in de eeuw erna nog slechts zelden opgemerkt en steeds minder gelezen werd.

Deze biografie van Jacob van Lennep uit 2019, geschreven door Marita Mathijsen, zette aan tot een herwaardering van het werk van deze schrijver.

Het werk dat nog steeds zeer gewaardeerd wordt, is Ferdinand Huyck, volledig: De Lotgevallen van Ferdinand Huyck, een historische avonturenroman uit 1840. Daarnaast zal bij velen ook het boek De Roos van Dekama nog bekend zijn. Deze historische roman uit 1836 past naadloos in die periode, waarin historische romans populair waren. De titel verwijst naar het personage Madzy, de enige dochter van de Friese hoofdeling Sjoerd Dekama, die door enkele ridders van de strijdende partijen wordt begeerd. Deze streekoorlog vindt plaats tussen de Hollanders en de Friezen, in 1345: de slag bij Warns (feitelijk hoort het de Slag bij Stavoren te zijn). Het is een tamelijk realistisch beschreven oorlog waarin de Friezen hun Hollandse aartsvijanden onder bevel van graaf Willem IV versloegen. Met nog steeds een jaarlijkse herdenking daarvan bij Warns, bij de reuze kei met de woorden ‘1345’ en ‘Leaver dea as slaef’.

Familiewapen geslacht Hogendorp.

Op reis

In 1823 gingen Jacob en zijn studiegenoot, de latere staatsman Dirk van Hogendorp, te voet op reis door (delen van) Nederland. Tijdens deze voetreis  hield Jacob van Lennep een dagboek bij. De route die ze aflegden door Friesland liep via de aankomstplaats Lemmer naar Sondel, Sloten, Stavoren, Hindeloopen, Workum, Bolsward, Harlingen en Franeker. Ja, inderdaad, ook Bolsward deden ze aan.

De eerste bladzijde van het dagboek.

Twee vooraanstaande letterkundigen, schrijver Geert Mak en em. hoogleraar Marita Mathijsen, hertaalden onlangs dit dagboek uit 1823 naar het hedendaagse Nederlands, waarmee ze dit bijzondere werk voor de 21e-eeuwse lezer zeer toegankelijk maken.

Tot aan de uitgave van dit werk kende ik de originele versie uiteraard, maar via deze hedendaagse bezorging ben ik het werk weer eens gaan lezen.

En opnieuw kwam ik het ‘Bolswerd’ van 200 jaar geleden tegen.

Dat gedeelte volgt hier.

Bolswerd

Van Lennep en Hogendorp komen lopend vanaf Workum en…

‘….. wandelden te vier ure naar het dorp Parrega, waar ons een Friesche marskramer op zijde kwam, die ons om de tollen te vermijden langs een harden kleijgen en steenigen weg naar

Bolswert voerde, tot groot vermaak van Van Hogendorp en tot mijn spijt. De tollen zijn hier veelvuldig en dwaas. Een voetganger moet aan sommige twaalf duiten betalen en gaat dus liever met de schuit. Te zes ure kwamen wij in de stad, waar wij in den Wijnberg onzen intrek namen: hier dronken wij thee met vier menschen, wie wij aan hun profaan, gemeen en ploertachtig gesprek dadelijk voor aannemers erkenden. Te acht ure gingen wij de stad rond: ik vond dezelve lief, net en vrolijk gebouwd: de meisjens waren fraai. Op den buitenmuur der Oude Hoofdkerk is eene blaauwe steen met een bijna onzichtbare zittende, en een rijdend persoon er op uitgehouwen. Niemand heeft mij tot nog hiervan de beteekenis gegeven. Met de ondergang der zon wandelden wij de fraai beplantte vesten om en verlustigden ons in het heerlijk uitzicht dat zij opleverden.

Van onze wandeling gekeerd, vonden wij in de herberg den landmeter en ingenieur Vander Kemp, die zijnen tijd hier met loopen en zijne passen te tellen zeer onaangenaam doorbracht en blijde was ons te zien en met ons onder een paar flesschen wijn zijne verveeling een wijl te bannen. Na een zeer aangenaam en vermakelijk gesprek begaven wij ons naar bed met klokslag half twaalf.

Iedere avond schreef Van Lennep in zijn dagboek.

In dit bijzondere gedicht noteerde hij het volgende over zijn indrukken van de stad Bolswerd:

Lieflijk, Bolswerd, zijn Uw vesten, als de zon naar ’t zeevlak spoedt,
En van zachte purperglanssen heel het westen gloeien doet.
Heerlijk staan Uw malsche weiden, rijk in klaver, rijk in vee,
Uitgestrekt naar alle kanten als de onoverzienbre zee;
Van het avondgoud beschenen heft alom voor ’t starend oog
welig dorp op dorp den kerkspits uit het donker loof omhoog.
Prachtig, Lichtem boven allen praalt Uw breede torentrans
Tegen ’t somber eikenlover, met verhoogden gloed en glans.
Statig loeit en neigt de knieën ’t verschgemolken rundgediert
’t vlugge veulen hinnikt vrolijk, daar het trapplend heenen zwiert.
Van de zware vacht ontheven die het voormaals zwoegen dee
Zoekt de witgewolde kudde, blaetend de avondlegerstee.
’t Hartlijk zingen van het landvolk, ’t blij muzyk der herdersfluit
Klinkt bij Filomeles zangtoon, bij des cijsjens maatgeluid
Streelend is de geur der veldbloem die zoo welig tiert en bloeit
En verkwiklijk riekt de dooren die op wal en poorten groeit
Vrolijk keert de bouwman huiswaart met zijn meisjen aan de hand,
Zegt, hoe ’t geld, in steê gewonnen, zal gebruikt zijn op het land –
Blanker zijn haar hals en armen dan het hagelwit gewaad
Vuurger gloed straalt van haar oogen dan van ’t gouden oorcieraad
Meerder dan de zon in ’t Westen spreidt haar aanblik glans ten toon….
Lieflijk, Bolswerd, zijn Uw vesten, meer nog zijn uw maagden schoon.

Rond 1830 tekende landmeter J.J. Rameau deze plattegrond van de stad. De ‘vesten’ (hier de bolwerken met gracht) zijn duidelijk aangegeven. Ook zijn de kerken zichtbaar, in zwarte kleuren: de doopsgezinde kerk, de beide r.k. (schuil)kerken, de twee protestantse kerken en de voorloper van de synagoge, die overigens rond 1840 daadwerkelijk gebouwd en ingewijd zou worden.

De andere ochtend:

Zaturdag 7 Juny. Te vijf ure stonden wij op en werden genoodzaakt, wilden wij thee drinken zulks gezamenlijk met de aannemers te doen, tot groot verdriet van mijn’ reisgenoot. Te zes ure wandelden wij langs onnoemelijke bochten en kronkeling over een steenharten kluitkleiweg door het dorp Nieuwland naar Sneeck…’

Beide jongemannen verlaten dan de stad via de Snekerpoort en lopen langs een slecht begaanbaar en kronkelig pad (de ‘kluitkleiweg’) via Nieuwland (Nijland) naar Sneek. Rond 1844 werd deze hobbelige en met paard en wagen of koets zeer slecht te berijden weg vervangen door een z.g. Macadamweg; Mac Adam, genoemd naar de Schotse ingenieur John Loudon McAdam. Bij deze grotendeels verharde weg werd een techniek gebruikt met o.a. gebroken steentjes. Daarmee werd de verbinding tussen Sneek en Bolsward flink verbeterd.

In 1906 zag de Macadamweg er in Nijland zo uit. De tramverbinding tussen Bolsward en Sneek was al enige decennia eerder dan in 1906 aangelegd, n.l. in 1882 (foto Tresoar).

© Willem Haanstra, april 2026