Het hoofd vol kevers
hangt ogen aan elke boom,
zodat je het moeras van je ziel
binnenglijdt als een garnaal,
terwijl je uilen op het mos zitten.
Je probeert je kat
uit het vat
op de tafel te tillen,
terwijl het ‘raamweer’ was,
waarachter raven
wit werden van de storm.
Je schaamte rijdt geen paard,
ze is jouw slak
die langzaam over je ogen kruipt.
Net als het varken
proef je de jam niet
die aan je mond blijft kleven.
Je blaast koud
je grote eik,
wankelt en valt bijna om,
in zijn schaduw zwijgen
de geplette kikkers.
Je strekt je uit
tot waar de deken reikt.
Zoals je je bed opmaakte,
zo slaap je.
Tussen je aangeroepen vroedsters
raakt je baby zoek.
“Hop, hop, hop”,
komt altijd te laat.
Niet mijn circus,
zeg je.
Je apen kijken terug naar
het water dat voorbij stroomt,
en alleen jouw stenen
blijven.
© Elsijn Eelsingh