Door Bert van den Braak op Parlement.com
Terugkeer naar het voor 1983 bestaande kiesstelsel voor de Senaat lost niets op.
Het kabinet pakt het ‘verbeteren’ van het parlementair stelsel weer op. De aanzet daartoe werd gegeven door de in 2017 door minister Plasterk ingestelde Staatscommissie Parlementair Stelsel. Die commissie kwam in december 2018 met diverse aanbevelingen, bijvoorbeeld over de Eerste Kamer, het kiesstelsel, burgerparticipatie en partijwezen. De commissie was geen voorstander van terugkeer naar het vóór 1983 bestaande kiesstelsel voor de Eerste Kamer. In zijn wijsheid besloot minister Heerma onlangs die wijziging toch voor te gaan stellen.
Voor de zekerheid enige uitleg over het voor 1983 bestaande kiesstelsel. Tussen 1923 en 1983 werden de Eerste Kamerleden voor zes jaar gekozen, waarbij iedere zes jaar de helft (tot 1956 25 en daarna 38 of 37) van de leden aftrad en voor die zetels verkiezingen werden gehouden. Toen gebeurde dat in zogenoemde groepen van Provinciale Staten. Zo kozen de Statenleden van Groningen, Drenthe, Overijssel en Gelderland (Groep II) 19 Eerste Kamerleden. Dat gebeurde op basis van evenredige vertegenwoordiging, met behulp van stemcijfers die de waarde van de stem koppelde aan het inwonertal van de provincie.
Vóór 1923 koos iedere provincie (via de Staten) een vast aantal Eerste Kamerleden, op basis van een meerderheidsstelsel. In 1922 wilde het kabinet dat alle Statenleden tegelijkertijd alle (toen 50) senatoren zouden kiezen. Bij Kamerontbinding dienden ook de Statencolleges te worden ontbonden, zodat de kiezers zich over een conflict konden uitspreken. In de Eerste Kamer was er veel verzet en het wetsvoorstel sneuvelde daar. Toen koos het kabinet – onder enige tijdsdruk – voor een zittingsperiode van zes jaar, periodieke verkiezing van de helft van de leden en behoud van een zeker verband met de provincies.1)
Tegen de zesjarige zittingsperiode en gedeeltelijke verkiezing kwam steeds meer bezwaar en na 1951 stelden twee staatscommissies voor om over te gaan naar vier jaar en gelijktijdige verkiezing van alle leden. Gesteld werd dat er soms een (veel) te lange tijd zat tussen de Statenverkiezingen en de verkiezing van Eerste Kamerleden. Bovendien werd de Eerste Kamer toen nog ontbonden bij Grondwetsherziening en kwamen Statencolleges soms helemaal niet aan verkiezing van Eerste Kamerleden toe. De keuze voor vier jaar en verkiezing direct na de Statenverkiezingen werd bij de Grondwetsherziening 1983 ingevoerd. Slechts enkele Kamerleden stemden tegen.
Leest u verder via: https://www.parlement.com/column/202607/terug-naar-voor-1983