Categorieën
Columns Politiek

MINISTERS VAN BUITEN

Welke betekenis moet worden toegekend aan ‘ministers van buiten’?

(tekst: Bert van den Braak op Parlement.com)

Het recent gepromote begrip ‘ministers van buiten’ roept vragen op. Het werd geponeerd als een soort uitvinding en onderdeel van een nieuwe bestuurscultuur. Feitelijk is het al zo oud als er partijen bestaan. Alle Nederlandse kabinetten kenden ‘buitenstaanders’.1)

De komst van politiek gekleurde kabinetten was een geleidelijk proces. Lang waren kabinetten tamelijk ‘grijs’. Het eerste kabinet-Thorbecke i in 1849 was wel onmiskenbaar een liberaal kabinet, al was het maar door de dominantie van Thorbecke i. Diens ministerie (van Binnenlandse Zaken) was toen, afgezien voor justitie en financiën, voor alles verantwoordelijk: onderwijs, waterstaat, economische zaken, kunsten, landbouw, volksgezondheid en zelfs de dienstplicht. Maar veel ministers waren ‘buitenstaanders’. Vooral Buitenlandse Zaken (diplomaten), Defensie (officieren) en Waterstaat (ingenieurs) werden vaak toevertrouwd aan ‘deskundigen’. Overigens lang niet altijd met succes.2)

Pas met het aantreden van het kabinet-Kappeyne van de Coppello i in 1877 was er sprake van een qua samenstelling ‘politieker’ kabinet. Leider Kappeyne i was in 1876 ‘leader’ van de Liberalen in de Tweede Kamer geworden. In zijn kabinet zaten de Kamerleden De Roo van Alderwerelt i (hij bleef zelfs Kamerlid), Smidt i en Tak van Poortvliet i. Met De Roo, die weliswaar officier was, kwam er dus een (eerste) politicus als minister van Oorlog.

Leest u verder via: Van buiten – Parlement.com