Wanneer de woning van de Haagse schilder en onderwijzer Willem Jans Dijk (1881-1970) in Den Haag in 1942 in het Duitse Sperrgebiet komt te liggen, wijkt hij met zijn vrouw uit naar Friesland. De keuze voor Koudum is logisch: hun dochter Coba is getrouwd met Albert van de Water, die daar sinds begin 1940 als huisarts is gevestigd. De familie Van de Water bewoont de statige woning Grovestins. Dijk en zijn vrouw nemen hun intrek in hotel Galamadammen.

W.J. Dijk hield gedurende de hele oorlog een gedetailleerd dagboek bij. Hij schetst hierin het sobere leven op Galamadammen, vaak zonder gas of elektriciteit. Dijk was fel anti-Duits; hij uitte in zijn dagboek diepe afkeer van de bezetter, de ‘Hitlerslaven’ en landverraders. Ook de zwarte handel in het dorp, waarbij boeren soms woekerprijzen vroegen in de vorm van boter voor een paar kinderklompen, kon op zijn felle kritiek rekenen.

Dijk was getuige van de spanningen in het dorp, de angst voor razzia’s en de moord op dorpsgenoten door de Landwacht in augustus 1944. Vlak voor de bevrijding zag hij hoe de Duitsers hotel Galamadammen in brand staken uit wraak voor verzetsactiviteiten, waarna hij tijdelijk introk bij zijn dochter en kleinzoon op Grovestins.

Schoonzoon Albert van de Water, huisarts in Koudum, was in april 1945 al twee jaar weg uit Koudum. Hij was in 1943 zomaar ineens verdwenen. Rondom dokter Albert van de Water ontstond het hardnekkige gerucht: hij zou ‘even sigaretten zijn gaan halen’ en nooit meer zijn teruggekomen. De werkelijkheid achter zijn vertrek is echter complexer en deels te achterhalen door familieoverleveringen en historische documenten.

Van de Water was van oorsprong officier-arts en diende bij het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger (KNIL) in Bakongan (Atjeh, Noord-Sumatra) en in Bandung op Java. In Bandung werd in 1936 zoon Jan geboren. Volgens het verhaal in de familie liep Albert van de Water malaria op en kreeg hij mogelijk als gevolg daarvan ernstig last van zijn rug.
In ieder geval konden de rugklachten alleen maar bestreden worden met pijnstillers en raakte Van de Water in Nederlands-Indië al verslaafd aan morfine. De ernstige rugpijn verdween niet en was er de oorzaak van dat het contract met het KNIL niet verlengd werd. Het gezin keerde in 1939 terug naar Nederland en zo vestigde dokter Van de Water zich eind april 1940 als huisarts in Koudum, waar hij met zijn gezin op huize Grovestins ging wonen.
In 1942 heeft Albert van de Water als (ex-)militair arts, met andere officieren van gezondheid, enkele weken opgesloten gezeten in kamp Neurenberg. Daar werd hij door de Duitsers niet als krijgsgevangene, maar als rebel beschouwd en ook zo behandeld. Wie weet heeft deze gebeurtenis mede een rol gespeeld in de beslissing die hij in 1943 nam. Toen was dokter Van de Water zomaar ineens verdwenen. Maar dat was niet ‘zomaar’.

Bij onderzoek in de artsendatabank van de Tweede Wereldoorlog is namelijk een brief gevonden van 23 februari 1943, waarin de dokter zichzelf actief aanmeldde bij het ‘Evacuatie-Bureau voor Nederlandsche Artsen’ voor tewerkstelling in Duitsland. Hij schreef dat de praktijk in Koudum hem niet bevredigde en dat hij zich in Duitsland verder wilde bekwamen in specialismen als chirurgie of interne geneeskunde.
Zijn vrouw Coba bevestigde later op hoge leeftijd dat hij inderdaad met de Duitsers de afspraak had gemaakt uitsluitend als arts te werken, mede om toegang te krijgen tot medicijnen en pijnstillers (morfine) die in de praktijk in Koudum niet meer beschikbaar waren. Hij vertrok dus niet voor sigaretten, maar voor een medische aanstelling in Duitsland.

Het verblijf in Duitsland liep voor Van de Water noodlottig af. Hoewel hij als arts werkte in het ziekenhuis van Torgau, waren de omstandigheden zwaar. Na de bevrijding van het kamp door de Russen in 1945 bleven de omstandigheden slecht. In december 1945 overleed Albert van de Water in Torgau, waarschijnlijk aan vlektyfus, een ziekte die hij opliep tijdens de verzorging van patiënten. Na de oorlog keerden Willem Jans Dijk en zijn vrouw terug naar Den Haag, vergezeld door hun weduwe geworden dochter Coba en kleinzoon Jan. De “dokter die sigaretten ging halen” liet aanvankelijk een raadsel achter in Koudum. Dat raadsel is tachtig jaar later grotendeels opgelost.
© Jelle van der Meulen