Door Gerard Jorna
Dat Sybrand Buma per 1 juli 2026 vicepresident van de Raad van State wordt, geeft het ‘slotje’ dat hij als burgemeester van Leeuwarden op bepaalde aan de gemeenteraad gerichte stukken heeft laten aanbrengen, een bredere bestuurlijke relevantie. Wat eerder nog als een lokale kwestie kon worden weggezet, krijgt daardoor extra gewicht. De vraag waarom bepaalde aan de raad gerichte stukken niet langer openbaar zichtbaar waren, kan daarom niet in detail worden afgedaan.

In een eerder artikel op BREKT, onder de titel ‘Het slotje van Sybrand Buma’, https://www.brekt.nl/het-slotje-van-sybrand-buma/ heb ik uiteengezet dat de burgemeester van Leeuwarden in een brief van 27 februari 2025 niet alleen besloot niet langer op verdere correspondentie over integriteitskwesties te reageren, maar ook bepaalde dat dergelijke stukken voortaan niet meer openbaar op de lijst van ingekomen stukken van de gemeenteraad zouden worden geplaatst. Volgens hem zouden deze stukken nog wel toegankelijk blijven voor raadsleden, maar alleen achter een digitaal ‘slotje’, onder de aanduiding ‘Klachten integriteit’. Ik heb toen betoogd dat de burgemeester niet bevoegd was om dat te bepalen, omdat de organisatie van de informatievoorziening aan de raad tot de autonome bevoegdheid van de raad zelf behoort.

Dat was al ernstig genoeg. Een burgemeester die eigenmachtig de openbaarheid van een categorie raadsstukken beperkt, treedt buiten zijn rol. De lijst van ingekomen stukken is immers geen instrument van het college, laat staan van de burgemeester persoonlijk. Het is een instrument van de raad. Wie daar zonder besluit van de raad in ingrijpt, raakt aan een elementair onderdeel van het lokale democratische proces: de openbare informatievoorziening aan het vertegenwoordigend orgaan. Daarmee wordt niet zomaar een werkproces aangepast, maar een institutionele grens overschreden.
Maar inmiddels is ook duidelijker geworden wat er achter dat slotje is verdwenen. En juist dat maakt deze kwestie zwaarder dan zij op het eerste gezicht misschien leek. Achter het slotje bleek geen willekeurige correspondentie van een kritische burger te verdwijnen, maar een samenhangend dossier over de bestuurlijke integriteit van de burgemeester zelf, over de zorgvuldigheid van integriteitsonderzoek, over klachtbehandeling en over de betrouwbaarheid van de procedure waarin zijn functioneren als burgemeester moest worden beoordeeld.

Het gaat dan onder meer om stukken die rechtstreeks verband hielden met de herbenoemingsprocedure voor een tweede termijn van Buma als burgemeester van Leeuwarden. Op 23 maart 2025 heb ik de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties geïnformeerd over mogelijk plichtsverzuim en zelfs een mogelijk ambtsmisdrijf door de burgemeester in verband met een integriteitsonderzoek tegen een raadslid. Twee dagen later volgde correspondentie waarin twijfel werd geuit over de onafhankelijkheid van de vertrouwenscommissie die over zijn herbenoeming moest adviseren. Op 8 april 2025 heb ik de rol van de Commissaris van de Koning in Fryslân in die procedure ter discussie gesteld. Kort daarna volgden formele klachten over zowel de commissaris van de Koning als over de handelwijze van de burgemeester zelf. Het waren juist dit soort stukken die vervolgens niet meer openbaar zichtbaar waren op de lijst van ingekomen stukken van de raad.

Dat gegeven is op zichzelf veelzeggend. Het ‘slotje’ trof niet zomaar lastige post, maar juist stukken waarin de bestuurlijke integriteit van de burgemeester en de betrouwbaarheid van de procedure waarin zijn functioneren moest worden beoordeeld, expliciet aan de orde werden gesteld. Daarmee krijgt de discussie over het ‘slotje’ een bredere betekenis. Het gaat dan niet langer alleen om een formele bevoegdheidsvraag, maar ook om de bestuurlijke betekenis van de selectie die achter dat slotje terechtkwam.
De burgemeester verdedigde zijn besluit destijds met een organisatorisch argument. Het anonimiseren van dergelijke stukken zou te veel tijd kosten en een onevenredig beslag leggen op de capaciteit van de griffie. Die motivering was toen al zwak. Openbaarheid is geen gunst die slechts wordt verleend zolang zij administratief goed uitkomt. Openbaarheid is in het lokale bestuur de norm. Openbaarheid is ook geen restpost op de begroting van bestuurlijk gemak. Wie een democratisch beginsel begint te behandelen als een praktisch probleem, laat zien dat hij het bestuurlijke gewicht ervan niet begrijpt of niet wenst te erkennen.

Daar komt nog iets bij. Buma stelde in zijn brief dat de stukken wel toegankelijk zouden blijven voor raadsleden. Alleen de openbaarheid voor het publiek zou worden beperkt. Maar juist op dat punt ontbreekt controleerbare duidelijkheid. Zelfs na een verzoek op grond van de Wet open overheid is geen verifieerbare zekerheid verkregen over de vraag of de stukken die achter het ‘slotje’ zijn geplaatst, ook daadwerkelijk aan alle raadsleden ter beschikking zijn gesteld. Daarmee raakt deze kwestie niet alleen de openbaarheid van bestuur, maar ook de controleerbaarheid van de informatievoorziening aan de raad. Als niet valt vast te stellen welke stukken de raad werkelijk heeft ontvangen, komt ook het interne democratische toezicht onder druk te staan.
Dat is het punt waarop deze kwestie haar volle bestuurlijke ernst krijgt. Het gaat hier niet om de gevoeligheid van een burgemeester voor kritiek. Het gaat ook niet om een persoonlijk conflict tussen een burger en een bestuurder. Het gaat om de vraag of een burgemeester in staat is de institutionele grenzen van zijn functie te respecteren wanneer de informatie die in de openbaarheid komt, voor hemzelf bestuurlijk ongemakkelijk is. Juist dan moet blijken of openbaarheid als norm wordt aanvaard, of als hinderlijke last wordt behandeld.
En precies daarom krijgt deze kwestie extra betekenis nu Buma op weg is naar een van de hoogste staatsrechtelijke functies van het land. De vice-president van de Raad van State staat niet aan het hoofd van zomaar een bestuur. Het is een ambt waarin bestuurlijke zorgvuldigheid, institutioneel besef, rolvastheid en eerbied voor de spelregels van de democratische rechtsstaat in uitzonderlijke mate verondersteld mogen worden. De vraag wat Buma als burgemeester met het ‘slotje’ heeft gedaan, is daardoor geen plaatselijke curiositeit meer. Zij raakt aan de maatstaven die aan een nationale topfunctionaris mogen worden gesteld.

Het probleem van het ‘slotje’ is dus niet alleen dat daarmee buiten de rol van de burgemeester is getreden. Het probleem is ook waarop het in de praktijk werd toegepast. Achter dat ‘slotje’ verdween geen toevallige verzameling stukken, maar een dossier over de bestuurlijke integriteit van de burgemeester zelf en over de betrouwbaarheid van de procedure waarin zijn functioneren moest worden beoordeeld. Wie dat gegeven nog steeds als een detail ziet, onderschat wat openbaarheid in een democratische rechtsstaat behoort te betekenen.