Door Bert van den Braak op Parlement.com
Tussentijds onderhandelen is niet nieuw, het belang is nu wel heel groot.
Een formatie moet als regel leiden tot een kabinet dat erop kan vertrouwen dat het de komende vier jaar op een parlementaire meerderheid kan rekenen (liefst in beide Kamers), zodat het daarmee ‘vruchtbaar’ kan samenwerken. Daartoe wordt een programma opgesteld en een akkoord gesloten tussen fracties. Zo ging het lang. Zo’n akkoord was echter zelden het laatste woord. Vier jaar is best lang en nationale, maar vooral internationale ontwikkelingen hebben invloed. Tussentijdse onderhandelingen zijn zeker niet nieuw. Alleen de aard ervan is anders geworden.
Sinds 2010 ontbrak die ‘zekere’ meerderheid vaak en moest er per deelonderwerp worden onderhandeld om daartoe alsnog te komen. Dat is wel enigszins te vergelijken met besprekingen die normaal tijdens een formatie plaatsvinden, maar anders dan tijdens een formatie is ‘uitruilen’ van punten lastiger. Bij een formatie zijn compromissen makkelijker te vinden door het tegen elkaar wegstrepen van plus- en minpunten. Onmogelijk is dat evenwel ook nu niet.
Ook tijdens meerderheidskabinetten kwam bij tussentijdse onderhandelingen het tegen elkaar wegstrepen van punten voor. Een bekend voorbeeld was het dreigende conflict in 2014 over strafbaarstelling van illegaliteit tijdens het kabinet-Rutte II (VVD-PvdA). De VVD was toen bereid de overeengekomen strafbaarstelling op te geven in ruil voor verhoging van de arbeidskorting voor midden- en hoge inkomens. Natuurlijk is een situatie waarin twee, drie of vier fracties afspraken hebben gemaakt om daarmee voor een meerderheidsbasis te zorgen anders dan wanneer die meerderheid er niet is. Bij een meerderheidskabinet mag ervan uit worden gegaan dat de wil bestaat om later opdoemende problemen gezamenlijk op te lossen. Bij onderhandelen met oppositiefracties is de onzekerheid groter.
Het tweede kabinet-Rutte moest geregeld tussentijds onderhandelen vanwege het ontbreken van een meerderheid in de Eerste Kamer. Dat gebeurde zowel bij belangrijke vraagstukken (wonen, zorg, studiefinanciering, pensioenen) als bij de begrotingen. Dat laatste was zeker na 2015 noodzakelijk, toen na de Eerste Kamerverkiezingen de steun waarop het kabinet kon rekenen nog verder was afgebrokkeld. Na 2015 was voor een ‘begrotingsmeerderheid’ daarom steun van oppositiepartij CDA (naast die van D66, ChristenUnie en SGP) nodig. Het CDA had eerder onder Sybrand Buma juist besloten zich niet aan te sluiten bij de ‘constructieve oppositie’.
Leest u verder via: