Categorieën
Bestuurscultuur Leeuwarden Columns Literatuur Politieke en ambtelijke cultuur

CREATIEVE INCOMPETENTIE ALS BESTUURLIJK FENOMEEN

Door Gerard Jorna

Inleiding

Het lezen van het recente artikel op BREKT, waarin Wiebe Dooper reflecteert op het functioneren van Sybrand van Haersma Buma als burgemeester van Leeuwarden, bracht mij bij een bestuurskundig begrip dat in uiteenlopende contexten wordt gebruikt om organisatorische patronen te duiden.

Het gaat om de theorie van de zogenoemde creatieve incompetentie.

Die theorie zegt op zichzelf niets over personen of intenties. Zij beschrijft een verschijnsel binnen organisaties waarin bestuurlijk onvermogen niet openlijk tot correctie leidt, maar zich juist stabiliseert door procedures, taal en rolverdelingen.

Dat maakt haar relevant als analytische lens, los van concrete casussen.

Het “Peter principle”

De gedachte van creatieve incompetentie sluit aan bij het zogeheten “Peter principle”, afkomstig uit de organisatie- en managementtheorie van de jaren zestig, dat een mechanisme beschrijft dat structurele patronen van ineffectief functioneren binnen hiërarchische organisaties helpt verklaren.

Deze theorie stelt onder meer dat mensen in hiërarchische organisaties vaak doorgroeien op basis van succes in een eerdere functie, terwijl in de daarop volgende functie andere competenties worden gevraagd waaraan de betrokkene niet kan voldoen.

Op dat niveau blijven zij doorgaans functioneren, omdat verdere promotie uitblijft en terugplaatsing zelden voorkomt.

In bestuurlijke omgevingen, waar correctie afhankelijk is van politieke of institutionele tegenmacht, kan dit mechanisme extra hardnekkig worden. Daar ontstaat ruimte voor vormen van functioneren die formeel correct zijn, maar inhoudelijk tekortschieten.

Van incompetentie naar creativiteit

Creatieve incompetentie verschilt wezenlijk van gewone ongeschiktheid. Het gaat niet om openlijk falen of zichtbare onbekwaamheid, maar om een patroon waarin formele procedures correct worden gevolgd, terwijl materiële vragen onbeantwoord blijven. De incompetentie wordt daarmee niet opgeheven, maar functioneel gemaakt.

Kenmerken van creatieve incompetentie

Kenmerkend zijn onder meer: een sterke nadruk op procedure boven inhoud, het gebruik van vaag of juridisch taalgebruik, het verdunnen van verantwoordelijkheid door rolvermenging of commissievorming, en het presenteren van formele zorgvuldigheid als substituut voor inhoudelijke toetsing.

Soms uit dit zich in een sterke gerichtheid op zichtbare, extern gerichte of nevenactiviteiten die formeel legitiem zijn en publieke waardering oproepen, maar die de aandacht verleggen van de kernverantwoordelijkheden waarvoor de functie primair is ingericht.

Geen kwade trouw, wel risico

Creatieve incompetentie veronderstelt niet noodzakelijk kwade trouw. Zij kan juist ontstaan bij bestuurders die zichzelf zien als zorgvuldig en verantwoordelijk. Het probleem is dat het systeem waarin zij opereren onvoldoende corrigerend werkt, waardoor patronen zich kunnen bestendigen.

Bestuurlijke context en tegenmacht

In situaties waarin tegenmacht zwak is en informatie ongelijk verdeeld, kan creatieve incompetentie ongemerkt onderdeel worden van de bestuurscultuur.

Formele zorgvuldigheid en procedurele correctheid nemen dan steeds vaker de plaats in van inhoudelijke verantwoording. Zij wordt dan niet herkend als probleem, maar als bestuurlijke stijl – of eenvoudiger gezegd: zo doen we dat hier.

Het voortbestaan van dergelijke patronen wordt mede verklaard doordat correctie of herplaatsing zou impliceren dat eerdere beoordelings- en benoemingsbeslissingen onjuist zijn geweest. In hiërarchische en politiek/bestuurlijke contexten vormt die erkenning vaak een hoge drempel, waardoor de bestaande situatie wordt gehandhaafd.

Afsluiting

Creatieve incompetentie is geen persoonlijke aanval, maar een analytisch begrip. Het nodigt uit om niet alleen te kijken naar wat bestuurders doen, maar ook naar hoe systemen falen in correctie en verantwoording.

Bron: The Peter Principle, Laurence J. Peter en Raymond Hull (1969).