Categorieën
Boeken Cultuur Nederland Onderwijs Overpeinzingen uit Koudum Taal

NET VERSCHENEN: ‘ATLAS VAN HET DIALECT IN NEDERLAND’

Op 22 september 2026 verscheen bij Uitgeverij Lannoo de Atlas van het dialect in Nederland, een rijk geïllustreerd naslagwerk van 227 pagina’s in hardcover, geschreven door vier taalkundigen: Kristel Doreleijers, Alexia Kerkhof, Sterre Leufkens en Marc van Oostendorp. De auteurs brengen elk hun eigen specialisme mee: Doreleijers is postdoctoraal onderzoeker bij het Meertens Instituut, Kerkhof is specialist in de taalgeschiedenis van het Nederlands en het Fries, en Leufkens is universitair docent Nederlandse taalkunde aan de Universiteit Utrecht.

Tekening van de vier auteurs.

De inhoud is dankzij de achtergronden van de schrijvers en dankzij de controle van een aantal adviseurs flink wetenschappelijk onderbouwd (zij het niet feilloos) én de teksten zijn lekker vlot leesbaar. Het boek is dan ook nadrukkelijk bedoeld voor een groot publiek, en zeker niet alleen bedoeld voor taalkundig geïnteresseerde lezers. Bovendien ziet het boek er dankzij de vormgeving en de originele illustraties van Stefan Theunis en Stijn Fabri ook nog eens bijzonder aantrekkelijk uit.

Het boek gaat uit van vijftig uitdagende vragen, waarvan sommige gaan over de taalkundige eigenschappen van dialecten en andere over de mooiste, kleurrijkste en meest bijzondere woorden en uitdrukkingen. Het boek is modern (‘Waarom gebruiken jongeren dialect op sociale media?’), maar schuwt ook stukjes taalgeschiedenis niet: “Het [Limburgse dialectlandschap] is gevormd in een tijd waarin er nog geen landsgrenzen door het land van Maas en Rijn liepen”.

En nee, niet alles over dialecten in Nederland staat in deze atlas. Of, zoals de schrijvers het zeggen: ´Vijftig hoofdstukken zijn bij lange na niet genoeg om recht te doen aan de volle breedte van het Nederlandse dialectlandschap.” Dus is er wel een stukje over het Hylpers, maar niets over het dialect van de Zuidwesthoek van Friesland. En jammer: de Koudumer ‘Beantsjes’ worden niet genoemd in de paragraaf over spotnamen voor inwoners van dorpen. “Het rijkste materiaal vinden we in Friesland, waar de Fryske Akademy zo’n 260 dorpsbijnamen heeft verzameld”, staat er, maar bij de zes voorbeelden geen Koudum.

Fryske Akademy

Daarentegen: wat staat er een hoop wél in, ook over het Fries en zelfs een hele bladzijde over het Stadsfries, waaronder het Snekers. Al zal onder anderen Henk van der Veer niet blij zijn met de laatste opmerking op die bladzij: “Veel dialecten, in Friesland en elders, worden behalve gesproken ook geschreven. Dat geldt niet voor het Stadsfries: dat is puur een spreektaal.” Al in het eerste hoofdstuk, over de vraag waarin talen verschillen van dialecten wordt ook over regiolecten gesproken. Daarin staat onder andere: “De situatie in Friesland is wat regiolecten betreft net weer wat bijzonderder.” Het stukje mondt uit in de constatering dat Friezen bijvoorbeeld wel eens een Nederlands leenwoord gebruiken (gebeure in plaats van barre), maar dat dan wel uitspreken met een Friese klank (hier de g-klank).   

Illustratie bij het hoofdstuk over de resten Fries in het Nederlandse kustgebied.

En verderop in het boek, in het hoofdstukje over de uitspraak van de g, ‘misschien wel de meest beladen klank van het Nederlands’ wordt uitgelegd: “Diep in de middeleeuwen klonk de g in het hele Nederlandse taalgebied ook als die van het Duitse gut en Engelse good: je maakte hem door je mond achterin heel even af te sluiten met de achterkant van je tong. Het Fries heeft die oude klank bewaard. In Friesland zeg je nog altijd goed met dezelfde g als in het Engels – het is een van de aanwijzingen dat dit de oorspronkelijke uitspraak is.”

Voorbeeld van een dubbele pagina 152-153.

Friesland en het Fries worden regelmatig betrokken in de besprekingen van bepaalde dialectverschijnselen. In een hoofdstukje over wederkerende voornaamwoorden bijvoorbeeld: “Hem(zelf) bestrijkt juist het kleinste gebied. Deze vorm tref je aan in Friesland en de aangrenzende delen van Groningen, Drenthe en Overijssel, bijvoorbeeld Toon wasket em in de tobbe, Josse slacht himsels (‘Josse slaat zichzelf’) of Hy fersint him (‘Hij vergist zich’). Als je niet uit deze Noord-Nederlandse regio komt, kan het gebruik van hem misschien tot grappige verwarring leiden. Een zin als Toon wasket hem/him/hom in de tobbe zou je kunnen interpreteren alsof Toon iemand anders wast dan zichzelf.” Met een grappige illustratie erbij.

Illustratie uit het hoofdstuk ‘Over dialecten voor kussen en zoenen’.

In het hoofdstuk ‘Sociale media maken dialecten hip’ is een apart kader gewijd aan het Fries. Daar staat onder andere: “Het Fries is als regionale minderheidstaal sterk vertegenwoordigd op het internet. (…) ook op sociale media heeft het Fries een sterkere positie dan de dialecten of de twee andere officieel erkende regionale talen (…)”. Af en toe wordt in een kader een grappig zijpaadje genomen, zoals bij de ‘zoenwoorden’ een kadertje over het Friese verkeersbord met ‘Tút en derút.

Afbeelding bij de paragraaf over spotnamen voor inwoners van Friese plaatsen.

Ik heb nog lang niet alles in deze prachtige uitgave intensief gelezen en me hier voornamelijk gericht op wat er zoal over Friesland en het Fries in voorkomt. Dat laat deze bespreking dan ook voornamelijk zien, al heb ik hier nog lang niet alles genoemd wat er over Friesland is staat. Bovendien sluit ik niet uit dat anderen iets dergelijks zouden kunnen doen met het Gronings, het Brabants, het Limburgs, het Drents, het Zeeuws of het Amsterdams. Al neemt het Fries wel een bijzondere positie in. Dat maakt de atlas ook duidelijk: het Friese taalgebied is niet zomaar een van de vele dialectgebieden van Nederland.

De Groninger zanger Ede Staal (1941-1986) droeg het Grunnings een warm hart toe. Hij wordt op pagina 36 genoemd met een citaat uit zijn liedje Genoat.

En ten slotte; er staat in de inleiding van deze dialectatlas: “De schrijvers van dit boek delen dezelfde overtuiging: alle mensen in Nederland, zowel jong als oud, mogen trots zijn op hun eigen dialect. Met deze atlas willen we uitleggen waarom dat het geval zou moeten zijn.” Zo wil ik met dit stukje laten zien dat de schrijvers (en vormgevers) van dit boek trots mogen zijn op deze uitgave.

© Jelle van der Meulen