Op 19 juni 2026 overleed Eppie Dam (1953–2026), de Friese auteur die in 2017 de Gysbert Japicx-prijs kreeg voor zijn dichtbundel Fallend ljocht. In de loop der jaren heb ik aardig wat van zijn boeken gelezen en er soms ook over geschreven. Sommige maakten direct indruk, andere vroegen om herlezing, maar één ervaring bleef steeds dezelfde: Eppie Dam wist het gewone bijzonder te maken en vond in de Friese taal een rijkdom die hij zijn leven lang heeft uitgedragen.
Hoewel zijn woonplaats Sloten niet ver van Koudum was, heb ik hem nooit echt gesproken. Ik kwam hem tegen bij literaire gebeurtenissen – vorig jaar nog bij de boekpresentatie in Balk van de dichtbundel Brutsen lok van Folkert Verbeek. En er was zo nu en dan mailcontact, zoals over zijn lange gedicht ‘De ûndergong fan de Willem III’, een ramp die volgend jaar, 150 jaar na dato, in Koudum herdacht wordt.

Toen ik in de jaren tachtig zijn vroege dichtbundels las, viel mij direct zijn grote vakmanschap op. In Fjouwer fertikaal (1985) beheerst hij de sonnetvorm met een vanzelfsprekendheid die nooit geforceerd aandoet. Achter die technische beheersing gaat steeds een persoonlijke stem schuil. Zijn gedichten over liefde, verlangen, vrijheid en verlies zijn eerlijk en toegankelijk, zonder aan diepgang in te boeten.

Een bundel die mij bijzonder raakte was De sachte tufkes fan dyn Lister (1993), waarin Dam zijn overleden vader herdenkt. Het is een klein monument voor een verdwenen boerenleven, opgebouwd uit herinneringen, foto’s, verhalen en alledaagse voorwerpen. Juist doordat hij grote woorden vermijdt, wordt de emotie des te voelbaarder. Het is literatuur die laat zien hoe herinneringen blijven leven zonder dat ze mooier gemaakt hoeven worden.
Familie bleef ook daarna een plaats innemen in Dams werk. In Leaf en nuddels (1998) schrijft hij als vader over zijn kinderen. De bundel bevat naast liedjes speelse en ontroerende gedichten vol liefde en verwondering. Zelfs wanneer sterfelijkheid ter sprake komt, blijft de toon opmerkelijk licht. Ook dat trof mij telkens weer: melancholie is bij Dam nooit uitzichtloos.

Met de dichtbundel Neigeraden it noarden (2004) had ik aanvankelijk meer moeite. Het rijke Fries en de gelaagde beeldspraak maakten de bundel niet gemakkelijk toegankelijk. Pas toen ik ophield de gedichten voortdurend naar het Nederlands te vertalen, begon ik hun kracht te ervaren. Achter taalvirtuositeit gaan fundamentele vragen schuil over identiteit, verleden en landschap. In Blausucht (2009) zette Dam dat voort. En opnieuw viel zijn veelzijdigheid op: persoonlijke gedichten, landschappen, portretten, vertalingen en gedichten bij schilderijen vormen samen een rijk geheel. Steeds zag ik zijn vermogen om achter het zichtbare naar een diepere werkelijkheid te zoeken, vaak met een subtiele humor die ook zware onderwerpen licht hield.

Zijn veelzijdigheid blijkt ook uit zijn proza. In It burd fan Fidel Castro (1995) lopen werkelijkheid en verbeelding soms door elkaar. Absurde gebeurtenissen voelen vanzelfsprekend aan en maken duidelijk dat verhalen vaak een diepere waarheid bevatten dan de dagelijkse werkelijkheid doet denken. In de novelle De tomaat (1989) wordt de ontwrichting van een gezin in een sobere stijl verteld. De afstandelijke toon maakt het verhaal des te aangrijpender.
Ook zijn samenwerking met beeldende kunstenaars heb ik altijd bijzonder gevonden. In projecten als bijvoorbeeld Te lange lêsten (1986), De tafel (2015) en Omstreken (2020) wist Dam schilderijen niet alleen te ‘illustreren’, maar er een nieuwe poëtische laag aan toe te voegen. Woord en beeld versterken elkaar zonder elkaar te overheersen.
Daarnaast bleef zijn liefde voor het Friese landschap mij opvallen. In veel publicaties, zoals in Boulân (1990), vormen het landschap (Noordoostpolder, Friesland, de Wadden), de wind en de weilanden veel meer dan een decor. Het landschap wordt een plaats waar herinnering, geschiedenis en menselijke ervaring samenkomen.

De columnist Eppie Dam mag er ook zijn! In Damstikken (1997) schreef hij met humor en mildheid over voetbal, taal, onderwijs, natuur en het dagelijks leven. Achter ogenschijnlijk kleine gebeurtenissen wist hij steeds iets algemeens te ontdekken. Diezelfde aandacht spreekt ook uit zijn kinderpoëzie, zoals Tsjilp! (2017), waarin speelsheid, muzikaliteit en liefde voor de natuur samengaan.

Wanneer ik nu op zijn werk terugkijk, zie ik vooral de grote samenhang ervan. Ongeacht het genre keren steeds dezelfde thema’s terug: hoe verhouden verleden en heden zich, wat is schoonheid, hoe bewaren we onze verbondenheid met taal, landschap en elkaar? Bovenal zal ik mij Eppie Dam herinneren als een schrijver met uitzonderlijke aandacht voor mensen, dieren, plaatsen, schilderijen en woorden. Juist die aandacht gaf zijn werk warmte en overtuigingskracht. Daarom heb ik zijn boeken met zoveel plezier gelezen. Ze hebben niet alleen de Friese literatuur verrijkt, maar ook mijn eigen blik op de wereld.
© Jelle van der Meulen
Deze ‘Overpeinzing uit Koudum’ is een Nederlandse samenvatting van ‘Myn oantinkens oan de boeken fan Eppie Dam’ op de Friese-literatuursite van Jelle van der Meulen.