Categorieën
Columns Politiek

DE LES VAN RUTTE II

Door Bert van den Braak op Parlement.com

De Eerste Kamer moet deals in de Tweede Kamer vrezen.

Een kabinet dat niet op voorhand kan rekenen op een parlementaire meerderheid zal steeds bij niet-regeringsfracties steun moeten zoeken. Dat is geen nieuw gegeven in de parlementaire geschiedenis. Voor een écht minderheidskabinet moeten we terug naar de periode 1905-1909 (het kabinet-De Meester en daarna één jaar kabinet-Heemskerk), maar ook recentelijk was steun ‘elders’ noodzakelijk. Het meest saillante voorbeeld is het tweede kabinet-Rutte, dat weliswaar een ruime meerderheid had in de Tweede Kamer, maar niet in de Eerste Kamer. Al snel bleek dat wetsvoorstellen daar alleen kans zouden maken, als die in de Tweede Kamer een veel ruimere steun hadden gekregen; zo ruim dat er ook in de Eerste Kamer een meerderheid zou zijn.

Onder Rutte II waren er drie fracties die zich tot ‘constructieve’ oppositie verklaarden: D66, ChristenUnie en SGP. Zij stemden in de Tweede Kamer onder meer vóór de nieuwe WMO, de Wet invoering Participatiewet, de Jeugdwet en de Wet verhuurderheffing. Door die steun was er ook een meerderheid in de Eerste Kamer (in enkele gevallen 38-37). Overigens schoten ook GroenLinks en CDA soms te hulp. De CDA-Eerste Kamerfractie deed dat zelfs één keer nadat de CDA-Tweede Kamerfractie had tegengestemd. Het betrof een fiscaal wetsvoorstel, waarbij de overweging was dat verwerping te grote financiële gevolgen zou hebben. In 2016 steunde het CDA in de Senaat het belastingplan.

Rutte II kreeg op belangrijke dossiers ‘hulp’ van oppositiefracties. Tijdens Rutte III gebeurde dat incidenteler. 50PLUS en de fractie-Otten (van ex-FVD’er Henk Otten) hielpen het wetsvoorstel Spoedwet aanpak stikstof in de Senaat aan een meerderheid. In 2021 was het de SP die steun gaf aan het wetsvoorstel Stikstofreductie en natuurherstel. Onder Rutte IV steunde de Eerste Kamerfractie van de PvdA het wetsvoorstel tot goedkeuring van het verdrag tussen EU en Canada (CETA), waardoor dat met 40 tegen 35 stemmen werd aangenomen. Daar had de Tweede Kamerfractie eerder tegengestemd.