Categorieën
Boeken Columns Geschiedenis Politiek

POLITIEKE COLUMN: NEDERIG KOFFIEDRINKEN

Door Anne Bos op Parlement.com

Wat leert de geschiedenis over de eigenschappen en kwaliteiten die nodig zijn voor een minister-president?

‘Ja, een Min. President moet toch meer zijn dan een bekwaam bestuurder – hij moet de mensen bezielen. Een enthousiasteling brengt het verder in deze dan een wetenschappelijk genie’, zo noteert jonkheer A.J.M. van Nispen tot Pannerden in april 1948 in zijn dagboek. Van Nispen ziet als topambtenaar bij het kabinet van de minister-president op het ministerie van Algemene Zaken tussen 1946 en 1972 negen premiers komen en gaan.1)

In zijn dagboeken, die lang voor het publiek verborgen zijn gebleven, geeft hij ongezouten commentaar op de (wan)prestaties van de leden van opeenvolgende kabinetten. Hoewel hij zelf afstamt van een Gelders katholiek adellijk geslacht en afgestudeerd jurist is, zijn afkomst en diploma’s voor hem geen noodzakelijke voorwaarden voor een succesvolle ambtsvervulling. Zo schrijft hij in december 1970 bewonderend over minister van Sociale Zaken Bauke Roolvink (ARP) die als ‘kachelsmit’ [sic, Roolvink was machinebankwerker AB] was begonnen en zich door ‘zelfstudie en zelfdiscipline via zijn vakbond’ had ontwikkeld tot een ‘hoogst bekwaam minister en vooral een bikkelhard onderhandelaar’.

Naast kwaliteiten benoemt Van Nispen ook ‘deviaties’. Bij minister-president Drees is dat vooral zijn abnormale zucht naar zuinigheid, bij De Quay zijn angst en gebrek aan zelfvertrouwen. Andere ministers zijn overmatig star of ijdel, te actief of juist te passief, zijn overdreven zelfkritisch of ontberen deze eigenschap volledig.

Leest u verder via: https://www.parlement.com/column/202602/nederig-koffiedrinken