Door Bert van den Braak
Misschien is een unaniem minderheidskabinet zonder VVD uiteindelijk beter
De grondwetsartikelen 65 en 105 maakten dat er op Prinsjesdag toch een begroting was. Het is de vraag of dat zonder die ‘dwang’ ook het geval zou zijn geweest. We hebben immers niet alleen met een minderheidskabinet te maken, maar tevens met een niet-homogeen kabinet. Dat zorgde al voor verlamming. In het kabinet vormen de zes VVD-ministers nochtans een minderheid. Zij kunnen in de ministerraad ‘weggestemd’ worden door de D66- en CDA-ministers. Die wetenschap zou bij een crisis een opmaat kunnen zijn naar een laatste alternatief, in plaats van ongewenste vervroegde verkiezingen: een homogeen minderheidskabinet zonder de VVD, dat wel succesvol naar meerderheden kan zoeken.
Op dit moment speelt de VVD een dominerende rol in de coalitie; een rol die niet geheel overeenkomt met het inmiddels na twee verkiezingsnederlagen resterende zeteltal, vijftien procent van de zetels. Ter vergelijking: in 2012 had de VVD 41 zetels, bijna het dubbele van nu. Misschien was het te grote toegevendheid of onderschatting, maar feit is dat de VVD een sterk stempel op het kabinetsbeleid drukt (voor zover dat al van de grond komt). De positie van minister Heinen blijkt dominant. Daarnaast lijkt vicepremier Yesilgöz soms bezig met een permanente verkiezingscampagne.
De impasse die zich rond de begroting aftekent, is grotendeels terug te voeren op de opstelling van de VVD. Het is denkbaar dat bemiddeling (misschien via een ‘informateur’) alsnog een oplossing brengt. Maar of het structurele probleem van gebrek aan homogeniteit daarmee verdwijnt, is de vraag. De opstelling van de VVD blokkeert de logische weg om over ‘links’ een meerderheid in beide Kamers te vinden; een meerderheid die er is.
Leest u verder via:
https://www.parlement.com/column/202609/het-laatste-alternatief?