Categorieën
Geschiedenis Nederland

‘De Januskop van Caspar de Robles Gemenebest versus Stadstaat: Friezen en Groningers door de eeuwen heen’ (1)

Door dr. Meindert Schroor, artikel uit het Historisch Jaarboek Groningen 2007, pp. 85-104. De Januskop van Caspar de Robles: Gemenebest versus Stadstaat: Friezen en Groningers door de eeuwen heen:

In TV reclames wordt als regel gretig gebruik gemaakt van stereotypen vanwege hun herkenbaarheid en ze worden als het even kan verpakt in humor. Wie kent niet de reclamespots voor de Friese Sonnema Beerenburg en de Groninger graanjenever van Hooghoudt? Zo geldt de Noorderling over het algemeen als nuchter, maar de Friezen die in eerste instantie Fries zijn en dan pas Noorderling ook als gepassioneerd. De Groninger als ietwat saai, nuchter en materialistisch en de Fries als idealistisch en, dromend, denkend en drammerig.2 Daardoor kijken
Friezen met name achteruit en Groningers veeleer vooruit zo luidt een opvatting en lijkt de Friese volksaard dichter bij de dominee dan de koopman te staan.3 Voorts zou het verschil zich bij de Friezen in meer passie en bij de Groningers in meer humor vertalen. Los van de vraag of deze regionale stereotypen en zelfbeelden wel algemeen gelden, laat staan objectief of zinvol zijn, een feit is dat ze bestaan. We ondernemen in deze bijdrage een bescheiden zoektocht naar de mogelijke wortels van regionale zelfbeelden en stereotypen. Zijn ze bijvoorbeeld terug te voeren op een uitsluitend door burgerlijke regionale elites geconstrueerd beeld uit de negentiende en vroege twintigste eeuw?4
Zo ja, waar haalden zij hun inspiratie vandaan of wellicht beter: zijn er lijnen te onderscheiden van regionale ontwikkeling, eigenheid en beeldvorming die los van het voorgaande, wat Friesland en Groningen betreft verder in het verleden reiken dan de laatste pakweg twee eeuwen sinds het ontstaan van de Nederlandse eenheidsstaat en het burgerlijk-elitaire antwoord daarop?

Groot Friesland

Om een aanzet te geven tot een verklaring van de veronderstelde stereotypen gaan we terug naar de Late Middeleeuwen. Het gehele kustgebied waartoe Friesland en Groningen – met uitzondering van het Gorecht inclusief de stad ̶ behoorde, werd omstreeks 1300 nog
als Frisia, Friesland aangeduid. Op het hoogtepunt in de veertiende eeuw hadden de autonome plattelandsdistricten, landsgemeenten of communitas (zoals Westergo, Hunsingo e.d.) een min of meer federatief verbond gevormd, dat incidenteel bijeenkwam bij de Oostfriese Upstalboom.5
Maar het daar in praktijk gebrachte tota Frisia kwam uiteindelijk
nauwelijks verder dan een idee en in de vijftiende eeuw viel dit losse verband voorgoed uiteen. De Ommelanden van Groningen gingen een blijvende relatie aan met de stad,6 OostFriesland werd een grafelijke heerlijkheid (1464). De Friese samenleving ten westen van de
Lauwers bleef de gehele vijftiende eeuw een vetemaatschappij waarin een centraal gezagspunt ontbrak. Een onrustige maatschappij waarin de strijdende facties onder het brede publiek vooral bekend zijn onder de nemen Schieringers en Vetkopers. Enigszins gechargeerd representeerde de eerste groepering aan het einde van de vijftiende eeuw met
name de traditionele hoofdelingenelite met een sterke worteling in en oriëntatie op het platteland. De Vetkoperse partij was daarentegen vooral vertegenwoordigd in en door de steden die destijds flink in opkomst waren. Zo was de periode 1450-1498 er een van toenemende welvaart, maar tegelijkertijd van steeds grootschaliger onderlinge conflicten.7
In een even arbitrale als ambitieuze rol drong de macht van de stad Groningen daarbij gaandeweg verder naar het westen op. Uiteindelijk mislukte de door de stad beoogde pacificatie en kwam een einde aan haar invloed ten westen van de Lauwers. Zo snel als de omstandigheden aanleiding hadden gegeven tot het ontstaan van een stadstaat Groningen
2 tussen Vlie en Eems, zo snel ook stortte deze ineen.

Groningen moest in 1497 voor de door de Saksische hertogen – op instigatie van de Schieringer partij – ingehuurde en vooruit gezonden ‘knechten’ het veld ruimen.8 De hertogen van Saksen namen het roer in Westerlauwers Friesland over, vestigden er de landsheerlijkheid en installeerden er in de jaren 1498-1504 een zeer modern centraal
bewind, compleet met een raad (Bestuursraad en Hofgerecht) als hoogste bestuursorgaan dat tevens als het centrale rechtsorgaan functioneerde en de voorloper werd van het Hof van Friesland.9

Onder de vlag van een centraal bestuur kon de tegen het einde van de vijftiende eeuw met name door de Schieringer hoofdelingen gedragen idee van een vrij Friesland met een groots verleden, blijven bestaan. Dat lijkt een paradox, maar is het niet omdat de hoofdzakelijk
Schieringsgezinde vertegenwoordigers van en namens dat bestuur met een gezag waren bekleed dat hun vijftiende-eeuwse voorgangers hadden moeten ontberen, althans destijds steeds opnieuw ter discussie werd gesteld. De uniforme wijze van bestuurlijk administratieve
inrichting – geïntroduceerd door het Saksisch bewind en overgenomen door de Bourgondiërs en de bijbehorende rechtszekerheid en politieke rust boden, vooral na 1524, een nieuw en zeker kader aan de Friese aspiraties. De gevestigde elite (edelen en heerschappen) bleef als machtigste categorie ten Landsdag de drager van het Friese gemenebest tussen Vlie en
Lauwers en van de Friese identiteit, zoals zij in de Late Middeleeuwen de dragende stand voor de landgemeenten was geweest. Vooral dankzij plattelandsedelen en heerschappen kon het Friese communalisme na een achttal decennia van vorstelijke heerschappij zelfs sterker dan ooit herrijzen.10 De zestiende eeuw was ook de eeuw waarin de basis werd gelegd voor een verdere verbreding van de Friese welvaart. Deze uitte zich in een stevige bevolkingsgroei, in de openlegging van de venen in de Zuidoosthoek en in een bloei van handel en scheepvaart.

Friesland kende ook voor 1498 een lange decentrale traditie. Emo releveert al in de dertiende eeuw het bestaan van meerdere munt- en marktcentra ten westen van de Lauwers, waar aan deze zijde slechts de stad Groningen en het onaanzienlijke Appingedam dergelijke functies hadden.11 Die veelheid aan centra ten westen van de Lauwers had intussen alles met de relatieve rijkdom, de handel in bederfelijke zuivelproducten (kaas en
boter, vandaar de vele wagen) en het onderlinge isolement (bv. de Zuidwesthoek met zijn vele meren) te maken.12