Sluwe vos, speelse otter en waakzame merel
moesten samen, tegen wil en dank,
een brug bouwen over woest water,
elk overtuigd van zijn eigen plank.
Ze kibbelden over elke cent, elk stuk touw,
over wie leidde en wie ‘t beste wist,
tot landinwaarts het water begon te bruisen
en tegenwerking geen keuze meer is.
Met besmeurde poten, vette vleugels en natte vacht
werd ’t hout gered, werd touw gespannen,
de storm ging liggen, de brug leek vast!
Hoerastemming bij drie paar vermoeide handen.
Maar plots splinters, donker geklots,
de brug begaf het, planken braken plots.
Ze stapten met z’n drieën in een klein bootje,
dobberend midden op het wilde slootje,
probeerden de brug weer stevig te maken,
maar geen van hen kreeg grip of kracht, ’t hout bleef kraken.
Toen kwam buurman rechts tevoorschijn,
met een litteken van wang tot wang,
hij draaide zwijgend wat schroeven vast,
zoals hij dit deed, al jaren lang.
Linkse buur verscheen, één ooglap zwart,
hij zette het mechanisme in beweging,
verstevigde wat verloren leek,
zonder hem verloor d’ brug beweging.
De waterovergang hield stand, eronder ‘t trio op ‘t nat,
beseffend dat hun visie alleen niet volstaat.
Zelfs wie samen alles geeft,
leunt soms op handenkracht van buitenaf.
© Elsijn Eelsingh