Categorieën
Columns Cultuur Filosofie Taal

SCHERTSVERTONING

De semantische schertsvertoning was al maanden geleden begonnen, misschien zelfs al veel verder terug in de tijd. Niemand die zich het begin nog precies kon herinneren. En het duurde inmiddels al zo lang dat de herinnering aan de ware vertoning vervaagde en de schertsvertoning de normale vertoning leek te worden. Wonderlijk snel eigenlijk.

In onderling menselijk gesproken woord ging het helemaal nergens meer over. Oeverloze koetjes en kalfjes. Er waren mensen (best veel) die het niet eens in de gaten hadden, het was al hun gebruikelijke wijze en niveau van communiceren. De simpele gelijkgestemdheid was voor hen wellicht zelfs een zegen. Maar er waren ook wel ettelijke lieden die verlangden naar een conversatie met diepgang. Naar een ware uitwisseling van ideeën, gedachten en gevoelens. Pogingen daartoe werden met vreemde blikken door de kwebbelaars onthaald. Wat wilden die lui, wat waren dat voor vreemde verbale uitingen?

Er was een soort semantische Invasion of the Bodysnatchers gaande: wie gegrepen werd, sloeg alleen nog maar prietpraat uit. En die invasie joeg wild om zich heen in de hoofden van de mensen. Van enige verbale diepgang was geen enkele sprake meer. Al het gesproken woord was van hooguit een niveau Jip en Janneke. Eloquentie en eruditie werden niet op prijs gesteld. Of sterker nog: geheel niet meer begrepen. Het inhoudelijk gesprek nam hand over hand af.

Er ontstonden schaarse enclaves met welsprekende mensen die manmoedig stand probeerden te houden. Ze vonden elkaar via internet, en vormden praatclubs, of beter gezegd conversatiegezelschappen. Terwijl rondom hen hele volksstammen uren aaneen zaten te TikTokken of te scrollen op andere social media platforms, en daar over en weer wat platitudes uitwisselden. De welsprekende lieden voelden zich opgesloten in een praatreservaat, omgeven door louter taalarmoede en een ongekend massaal verlies aan mondelinge en schriftelijke uitdrukkingsvaardigheid. Binnen hun verschansing omsloten door één grote armoedige linguïstische schertsvertoning. Als beschaafde Galliërs omringd door brute Romeinen.

Maar de grote bevolkingsgroepen rondom voelden hun leefwereld geenszins als scherts. Er was geen enkel gevoel van taalkundig verlies, gemis, benepenheid, oppervlakkigheid, nietszeggendheid of zinledigheid. Ze schenen gewoon niet beter meer te weten. Sterker nog, ze leken er juist vrolijk onder. Misschien lag geluk wel in eenvoud. Nietszeggende eenvoud.

Op televisie was de verandering nihil, alleen de praatprogramma’s verdwenen, na eerst nog wat uitzendingen met oeverloos geneuzel. Quizprogramma’s werden steeds simpeler, maar de spelshows en reality soaps gingen onverminderd door. Zij mochten zich verheugen in groeiende kijkcijfers. Met het verdwijnen van de ware conversatie verdween ook de taalrijkdom: het bloemrijk taalgebruik, het eufemisme, de metafoor, de allegorie, de ironie. Niets hoorde men ervan. Zelfs de woordspeling, toch een geliefd genre, legde het af. Boeken, zowel fictie als non-fictie, werden niet of nauwelijks nog gelezen, want niet begrepen. Literaire stijlfiguren, zoals symboliek, hyperbool, paradox, understatement, antithese, toespeling en zinspeling, de Homerische vergelijking, de retorische vraag; nou ja, we kunnen hier nog langer over uitweiden, het ging allemaal over de hoofden van de lezers heen. En de bevlogen redenaar was reeds lang verdwenen, behalve in de schaarser wordende enclaves. Maar hoe inhoudsloos ook, er werd heel wat af gekwekt. Een aaneenschakeling van platitudes, clichés, dooddoeners, banaliteiten, gemeenplaatsen en trivialiteiten. Het woord conversatie (zo dat woord nog bekend was) was niet meer op zijn plaats, het was alles nondescript en onpersoonlijk. Maar niemand scheen zich daarvan bewust, en al helemaal niet pijnlijk bewust. Maar dat had de oplettende lezer al begrepen (nog wel).

Alleen in de enclaves was men er zich pijnlijk van bewust. Krampachtig hield men daar vast aan de welsprekende conversatie, met zowel logica, fantasie als gevoel. Filosofische diepgang, symboliek en retorische technieken werden niet vermeden. Een ware oase van eruditie en eloquentie. Maar ook hier was de welbespraakte mens niet veilig. Na het ontwaken waren er zomaar lieden die de ene na de andere clichézin uitkraamden. Tot een volwaardig gesprek waren ze niet meer in staat. Het dreef de sprekers tot wanhoop (om maar eens een cliché te gebruiken). Hals over kop werden zij uitgestoten, verbannen, geëxcommuniceerd. Maar het hielp niet. De ontverbalisering liet zich niet stuiten. De sprekers werden als merkwaardige eenlingen steeds minder. Snobs, zouden de kwebbelaars misschien zeggen, maar ze kenden dat woord niet meer.

“Maar ach”, zo hoorden de laatsten der sprekers alom om zich heen, “wat zou je je druk maken, er is altijd wel wat, het is wat het is, morgen is er weer een dag, de zon schijnt en we mogen niet klagen”.

© Dolf Alberts