Ik las de afgelopen maand een fascinerend boek: Dievenland van Janna Coomans. Het boek kreeg in oktober de Libris Geschiedenis Prijs 2025. En ook al heb ik de andere genomineerden niet allemaal gelezen, dat lijkt me volkomen terecht. Het boek vertelt verbazingwekkende verhalen over criminaliteit, rechtspraak en het dagelijks leven in het ‘Nederland’ van de veertiende tot de zestiende eeuw. Het was de tijd waarin ‘Nederland’ nog niet echt bestond, maar een “lappendeken van graafschappen en hertogdommen” was, zoals Coomans het omschrijft, waarin steden groeiden en de roep om orde en veiligheid luider werd.

Op een boeiende manier beschrijft Coomans hoe zakkenrollers, oplichters en zwervers in die wereld probeerden te overleven. Ze legt uit dat misdaad en straf toen alles te maken had met sociale status, met eer (faem). Als je gepakt werd, kreeg je niet gewoon een of andere taakstraf, maar werd je publiekelijk voor schut gezet aan de schandpaal of de stad uitgejaagd. Of ter dood gebracht als het om een serieuze misdaad ging.
Het boek laat ook nog eens duidelijk zien dat vroeger niet alles beter was, en zeker op het gebied van de criminaliteit niet, al willen sommigen dat niet weten. In de middeleeuwen was de kans om slachtoffer te worden van geweld of moord tientallen malen groter dan nu. En de huidige roep om strenger te straffen is ook twijfelachtig: in de middeleeuwen waren lijfstraffen en doodstraffen heel normaal, niet alleen voor moordenaars, maar ook voor dieven. Coomans schrijft in haar inleiding al: “Als iemand meerdere ernstige diefstallen had gepleegd, was een lijfstraf of de doodstraf meestal onvermijdelijk.”
Aan de andere kant laat ze ook zien dat de middeleeuwers niet per se gewelddadiger waren dan wij. Weliswaar werden dieven vaak zwaar bestraft, maar dat had er ook mee te maken dat de mensen “een totaal andere verhouding met spullen en hun materiële omgeving hadden. Voorwerpen, kleren en dieren waren bijzonder waardevol en daarom heel belangrijk. Ze waren gekoppeld aan ideeën over gemeenschap, vertrouwen, eer en identiteit.“ En ook in de middeleeuwen werd er wel rekening gehouden met omstandigheden van de daders of de misdaad. Een eenmalige diefstal uit pure armoede werd vaak niet zwaar bestraft.

De verhalen spelen zich zowel af binnen de beschermende muren van de groeiende steden als op het onveiligere platteland daartussen. Veel van de gedetailleerde verhalen en bekentenissen komen uit de archieven van de (handels)steden Deventer en Kampen. Een ander belangrijk deel van het bronmateriaal is afkomstig uit de meierij van ‘s-Hertogenbosch. Maar de verhalen laten ook zien dat de ‘onderwereld’ van die tijd verrassend mobiel was. De dieven, oplichters en zwervers trokken door de gehele Lage Landen en soms zelfs tot in het huidige Duitsland.

Ook tot in Friesland, zo lezen we in Dievenland: “Deventer [. . .] veroordeelde meer dieven die actief waren op het platteland en in dorpen, en die vaak reisden in noordelijke richting naar Groningen, Drenthe en Friesland” (p.88). Wie weet zijn die zwervende dieven ook door Koudum gekomen. Of door Coudum, zoals de spelling in het begin van de zestiende eeuw was. Maar misschien ook wel door Coldum of Koldum, want zo heette Koudum in de 14e en 15e eeuw. Tot in de negentiende eeuw werd Koudum nog wel Koldum genoemd, een naam die sommigen in Hindeloopen of Workum nog steeds gebruiken.

Andersom kan trouwens ook: Friese boeven die hun werkterrein in Deventer, Kampen of verder hadden. Zo werd een Friese dief in Kampen gepakt: “Een Fries verdonkeremaande ’s nachts in een huis in Kampen ‘van een Oosterling’ (een koopman uit het gebied van de Oostzee) enkele munten, en hetzelfde deed hij in Zutphen in de herberg In de Wildeman.” (p.51-52). Ene Volckert uit Friesland ging met zijn broertje Jan zelfs op dievenpad in Amsterdam (p.88). En Johan, een smid uit Bolsward, was “een ervaren dief, die voornamelijk in Friesland op meerdere plekken geld en vee placht te stelen.” Hij maakte op een gegeven moment in het Achterkerspel – de rosse buurt van Deventer – gebruik van Adriaene, een vrouw die mannelijke slachtoffers verleidde en bestal (p. 138-140).
“Ergens in de jaren 1470 zijn er op een bruiloft in Sneek twee ongenode gasten, een man en een vrouw”, zo begint Janna Coomans hoofdstuk 5 ‘Liefde en lust aan de rafelrand’. Het is misschien wel het ‘mooiste’ en smeuïgste verhaal uit het boek. Hoofdpersoon is de in Duitsland en de Nederlanden rondtrekkende goudsmid Henrik Noremeysz Tekelenburg. De vrouw in het verhaal is Mette, de vrouw van een molenaar uit Deventer. Henrik was een praatjesmaker en oplichter die blijkbaar gemakkelijk vrouwen om zijn vinger wond.

Zo ging Mette dus met Henrik mee, als handlanger en als maîtresse. Ze opereren een poosje rond Leeuwarden. Enkele jaren later wordt Henrik in Deventer opgepakt, waarna hij Mette als zijn handlanger aanwijst, mogelijk om zichzelf deel vrij te pleiten. Veel hielp dat niet: Henrik wordt ter dood veroordeeld en Mette wordt verbannen. Het gegeven dat de getrouwde Mette als maîtresse met Henrik meegaat, nodigt de schrijfster uit om zich in dit hoofdstuk te verdiepen in de seksuele moraal van de middeleeuwen. In dat kader schildert ze nauwkeurig de rosse buurt van Deventer in die tijd.
Het is een voorbeeld van de geslaagde manier hoe Janna Coomans allerlei gedetailleerde anekdotes beschrijft die uitmonden in een duidelijk overzicht van algemene situaties en ontwikkelingen uit de middeleeuwen. Zoals ik al begon: een fascinerend boek.
© Jelle van der Meulen