Het recent gepubliceerde Deloitte-rapport over de Nederlandse landbouw zorgt maatschappelijk voor veel discussie. Volgens Deloitte veroorzaakt de landbouw jaarlijks 18,6 miljard euro aan ‘maatschappelijke kosten’, terwijl de toegevoegde waarde slechts 13,3 miljard euro bedraagt. Oftewel, de conclusie van Deloitte is dat de landbouw in zijn huidige vorm meer kost dan oplevert voor de Nederlandse samenleving.
Deze cijfers worden gepresenteerd als objectieve, technocratische uitkomsten. Zo publiceerde de NRC een artikel met de titel ‘schade door landbouw miljarden groter dan opbrengsten’. In dit artikel worden de conclusies uit het Deloitte-rapport als vaststaande waarheid overgenomen door de NRC. Zo stelt de NRC het volgende: ‘Milieuschade door landbouw leidt tot hoge maatschappelijke kosten, laat Deloitte zien. “Deze cijfers geven wel aan dat de problematiek nijpend is.”’ Daarmee geeft de NRC haar gezag aan het rapport en de betrouwbaarheid van de uitkomsten.
De achtergrond van de opdrachtgevers en hun actieve rol in het onderzoek laat echter iets anders zien. Meer dan een objectieve studie is het rapport een voorbeeld van hoe wetenschap, media en consultancy, ondanks hun reputatie van onafhankelijkheid, kunnen worden gestuurd door visies, belangen en aannames van betrokken partijen.
Onderzoek dat richting geeft aan beleid moet betrouwbaar en onafhankelijk zijn. Idealiter worden meerdere opties gelijkwaardig in beeld gebracht. Maar wanneer opdrachtgevers een uitgesproken agenda volgen zelf meeschrijven aan een rapport, komt de neutraliteit onder druk te staan. Deze casus laat zien hoe groot die spanning inmiddels is in de Nederlandse samenleving.
Om in het rapport tot de conclusie te komen dat de Nederlandse landbouwsector meer kost dan oplevert, kijkt Deloitte alleen naar de primaire productie. Het onderzoeksteam laat (de opbrengsten van) de verwerking, logistiek, retail, consumptie en herverwerking buiten beschouwing. Dat is een keuze die bepalend is voor de uitkomst van het rapport: e primaire productie omvat immers maar 1,4 procent van ons bruto binnenlands product (BBP), maar de gehele keten bij elkaar goed is voor 6,9 procent van het BBP(zie de Wetenschappelijke Klimaatraad).
De uitkomsten worden inmiddels gebruikt in het debat over de toekomst van de landbouw. Tegelijkertijd komen steeds meer vragen naar boven over de rol en achtergrond van de partijen die het onderzoek financierden en er direct bij betrokken waren.
Opdrachtgever Transitie Coalitie Voedsel kreeg subsidie en voert activistische agenda
Ook als we naar de opdrachtgevers kijken, zien we iets bijzonders. . Eén van de opdrachtgevers,Transitie Coalitie Voedsel (TCV), ontving tussen 2019 en 2024 in totaal 181.000 euro subsidie van de overheid, aldus Rijksuitgaven. Een groot deel daarvan is een staffelbedrag, waardoor alleen een bandbreedte openbaar is en niet het precieze bedrag. De werkelijke subsidie kan dus hoger of lager liggen. Desondanks betekent dit dat TCV afhankelijk is van de overheid.
De Transitie Coalitie Voedsel (TCV) presenteert zichzelf als een beweging die actief wil ingrijpen in het landbouw- en voedselsysteem. De organisatie pleit voor een zogenoemde eiwittransitie, waarbij plantaardige eiwitten de norm moeten worden. Volgens TCV probeert de coalitie bewust invloed uit te oefenen op beleid en instituties. Zij richt zich daarbij op partijen die zij “systeemspelers” noemt, zoals overheden, toezichthouders, koepels en de financiële sector. Het doel is om een nieuw landbouwmodel neer te zetten dat veel weg heeft van utopisch denken.
Bijzonder daarbij is dat verschillende overheidsorganisaties zich bij deze activistische coalitie hebben aangesloten. Het gaat onder meer om de provincies Zuid-Holland en Gelderland, waterschap De Dommel en de gemeente Ede. Ook de Vrije Universiteit is lid. Door zich te verbinden aan TCV onderschrijven deze instellingen indirect de agenda en werkwijze van de coalitie. Dat is opvallend, omdat overheden juist gezag ontlenen aan een brede blik op het algemeen welzijn en openheid naar verschillende ideeën. Door zich aan één specifieke koers te koppelen, ontstaat discussie over de openheid van deze instellingen ten aanzien van andere visies en dreigt het gezag van ondermijnt te worden.
TCV ontvangt daarnaast steun van organisaties die zelf grotendeels met subsidies of loterijgelden worden gefinancierd. Zo zijn Stichting Doen (gelieerd aan de Nationale Postcode Loterij en de VriendenLoterij), de Dierenbescherming, Natuurmonumenten en Milieu Centraal betrokken. Verschillende van deze organisaties krijgen hoge overheidsbijdragen of donaties uit de hoek van de Nationale Postcode Loterij. Natuurmonumenten ontving bijvoorbeeld in vijf jaar tijd ruim 62 miljoen euro aan subsidie. De Nationale Postcode Loterij, met een omzet van 830 miljoen euro in 2023, speelt bovendien een grote rol in de financiering van dit netwerk. Daarmee lijkt TCV minder gedragen door steun uit de samenleving zelf en vooral afhankelijk van subsidie- en loterijgelden.
De betrokkenheid van agenda-organisaties zoals de Dierenbescherming en Natuurmonumenten, gecombineerd met overheidsgeld en een nadrukkelijke focus op beleidsbeïnvloeding, maakt dat het onderzoek minder onbevangen oogt. Omdat TCV bovendien een uitgesproken agenda heeft en tegelijk als opdrachtgever optreedt, rijzen vragen over de onafhankelijkheid van het rapport, zeker omdat het in eerste instantie via de NRC werd gepresenteerd als een objectieve analyse.
Ook Robin Food Coalition werkt met activistische partners
De tweede opdrachtgever is Robin Food Coalition, een netwerk van ruim zeventig MKB-bedrijven in de voedingssector. Deze coalitie ontvangt geen directe subsidies. Onder de aangesloten bedrijven zitten onder andere bedrijven zoals Ekoplaza, Hak en Anne & Max. Toch zijn ook hier organisaties als partner aan deze coalitie verbonden die een sterk activistische koers varen, zoals Greenpeace, Milieudefensie en Urgenda. Urgenda is helemaal opvallend omdat deze organisatie landelijk bekend werd door de klimaatzaak waarin de organisatie een CO₂-reductie bij de Nederlandse Staat juridisch afdwong. Ook Transitie Coalitie Voedsel is partner van de Robin Food Coalition.
Binnen de coalitie nemen ook verschillende universiteiten deel, waaronder instellingen uit Leiden, Wageningen, Maastricht, Amsterdam, Nijmegen en de Vrije Universiteit. Volgens de Robin Food Coalition wordt het werk bovendien mede mogelijk gemaakt door organisaties als Urgenda en Stichting Doen. Dat universiteiten zich aan zo’n coalitie verbinden is opmerkelijk, omdat hun gezag juist voortkomt uit een open houding tegenover feiten, onderzoek en het toetsen van uiteenlopende hypothesen. Door zich aan een beweging met een uitgesproken agenda te koppelen, ontstaan vragen over mogelijke vooringenomenheid van deze instituten. Dit kan de open en neutrale academische houding van de universiteit ondermijnen en daarmee ook het gezag van het aldaar uitgevoerde wetenschappelijke werk.
De schijn van neutraliteit wordt nog verder ondermijnd doordat meerdere personen van beide coalities als auteur in het Deloitte-rapport staan. Het gaat om Volkert Engelsman (oprichter Robin Food Coalition), Titus Bekkering (oprichter Robin Food Coalition), Noa Widdershoven (directeur Robin Food Coalition), Jan Paul van Soest (oprichter Transitie Coalitie Voedsel) en Kim Nackenhorst (senior manager Transitie Coalitie Voedsel). De opdrachtgevers lieten het rapport dus niet alleen uitvoeren, maar werkten actief mee aan de inhoud. Dat maakt de onafhankelijkheid van de analyse moeilijk vol te houden, ook gezien de agenda van de opdrachtgevers en de aan hen verbonden partijen. In plaats van deze eenvoudig te achterhalen feiten te benoemen, heeft NRC ervoor gekozen puur te focussen op de conclusies van het rapport en deze te brengen als objectieve resultaten uit een puur op feiten gebaseerde berekening.
Felle kritiek vanuit BBB en LTO
Er waren ook organisaties, waaronder de BBB en de Land- en Tuinbouw Organisatie Nederland (LTO), die de inhoud van het rapport bekritiseerden. De BBB stelt onder andere dat het rapport de landbouw te smal benadert doordat het alleen naar de primaire productie kijkt en niet naar de gehele keten. Daarnaast wijst BBB erop dat Deloitte theoretische modeluitkomsten presenteert als feitelijke kosten, terwijl deze bedragen geen werkelijke uitgaven zijn maar rekenkundige aannames. LTO sluit zich aan bij deze punten en noemt het rapport “een theoretische exercitie zonder verbinding met de werkelijkheid”. De organisatie waarschuwt bovendien dat minder productie in Nederland kan leiden tot meer productie in landen met lagere normen, waardoor de totale uitstoot juist stijgt. Deze kritiek maakt duidelijk dat er ook andere perspectieven bestaan en dat die tot een wezenlijk ander beeld komen dan de conclusies van het rapport suggereren.
Tegen deze achtergrond laat de kritiek van BBB en LTO zien dat er een discrepantie is tussen de vermeende neutraliteit waarmee het onderzoek in onder meer NRC werd gepresenteerd en de gekleurde insteek van het onderzoek. Dit is met name problematisch doordat gezaghebbende organisaties, zoals overheidsinstanties en universiteiten, hun autoriteit juist ontlenen aan een brede, open en toetsende houding. Wanneer zij zich verbinden aan coalities met een uitgesproken agenda en daarbij geen ruimte creëren om andere perspectieven mee te nemen, ontstaat het risico dat hun neutraliteit ter discussie komt te staan. Daardoor wordt niet alleen het onderzoek zelf anders beoordeeld, maar komt ook het vertrouwen in de objectiviteit van de betrokken instellingen onder druk te staan.
Leest u verder via: https://denieuwedenktank.nl/deloitte-rapport-toont-kwetsbaarheid-van-technocratie-onderzoek-lijkt-neutraal-maar-blijkt-verweven-met-activistische-opdrachtgevers/