Categorieën
Beleid Niet gecategoriseerd Politie

Politiestraatwerk en informatiegebruik

Een longitudinale studie (1991-2023) over gevolgen van digitalisering (2025), door W. Stol, L. Strikwerda, J. Jansen, W. Schreurs Politiewetenschap 137

Samenvatting
De digitalisering bij de politie maakt dat in politiestraatwerk meer nadruk is komen te liggen op controles, doorgaans verkeerscontroles. Politiebeleid houdt echter al decennia in dat de politie meer verbinding met de burger moet zoeken. Toch lukt het politiemensen nauwelijks om op alledaagse wijze contacten aan te gaan, oftewel eens ‘een praatje te maken’. Ook is bij de politiecontroles sprake van ‘data­profile­ring’. Dat betekent dat wie in de politiedata bekend is (‘bekenden van ons’, aldus politiemensen) meer kans maakt op een controle of een bekeuring dan wie niet in de politiedata bekend is (‘brave burgers’). Dat is logischerwijze een proces dat zichzelf versterkt. Dit bevinden onderzoekers van NHL Stenden Hogeschool, de Politieacademie en de Open Universiteit, die langdurig met politiemensen mee gingen op straat. Wil de politie inderdaad in contact staan met de burgerij dan is het zaak dat politie­mensen ook anders dan via verkeerscontroles con­tacten leggen en onderhouden, aldus de onder­zoekers. Verder roept ‘dataprofilering’ de vraag op of politiemensen in een­voudige (be­keurings)­situaties wel moeten beschikken over alle informatie die de politie over betrokkene beschikbaar heeft. Het onderzoek is uitgevoerd in opdracht van het programma Politie en Wetenschap en wordt vandaag gepubliceerd.

Het betreft een longitudinaal onderzoek waarbij in drie periodes (1992-1993, 2001-2005 en 2022-2023) het werk is geobserveerd van politiemensen in de meest gangbare politiesurveillance: twee politiemensen in een politieauto, onder meer beschikbaar voor meldingen die burgers doen – de ‘nood­hulp­surveillance’. Het on­der­zoek is gericht op het in kaart brengen van politiestraatwerk, van het informatiegebruik tijdens dat werk en van ontwikkelingen daarin door de jaren heen. Het is in elke periode uitgevoerd bij de politie in Amsterdam, Groningen en Wageningen. In verschillende andere plaatsen is aanvullend onderzoek gedaan. De onderzoekers liepen in iedere periode en plaats zo’n twintig diensten met de politiemensen mee. Om over drie decennia het politiewerk zo goed mogelijk steeds op dezelfde wijze in kaart te brengen, werd gebruik gemaakt van een vaste systematiek (‘systematische sociale observaties’); bovendien deed steeds dezelfde hoofdonderzoeker mee.

Van het politiewerk is onder meer de inhoud vastgelegd door het noteren van de aard van de ge­beurtenissen waarbij politiemensen optreden. Bijvoorbeeld: hulpverlening bij een onwel persoon, optreden bij een winkeldiefstal of het doen van een verkeerscontrole. Dat laatste bijvoorbeeld van­wege het fietsen met een mobiele telefoon in de hand of vanwege het met de auto rijden in verbo­den richting. Zo bezien heeft in de meeste recente periode 41,2 procent van alle gebeurtenissen het karakter van (verkeers)controle. In 2001-2015 was dat 29 procent. De observaties wijzen er op dat dit te maken heeft met de ingebruikname van het systeem MEOS (Mobiel Effectiever Op Straat) waarmee politiemensen sinds ongeveer 2014 op straat met hun diensttele­foon verschillende politiedatabe­stan­den kunnen raadplegen, waar­onder alle gegevens die door surveillerende politiemensen over burgers zijn vastgelegd. Ook de instroom van veel jonge politiemensen speelt een rol, want het straatwerk van minder ervaren politiemensen bestaat voor een groter deel uit verkeerscontrole dan dat van hun ervaren collega’s.

De ingebruikname van MEOS zou volgens de toenmalige Minister Opstelten van Justitie en Veiligheid voor de politie een opsteker zijn. Op 6 mei 2013 schrijft hij in een brief aan de Tweede Kamer: ‘Daar­door kan de politie in bepaalde context over meer informatie beschikken, waardoor de politieman of -vrouw de meest optimale handelwijze kan kiezen. Dit komt de kwaliteit van het politiewerk ten goede (…) en zorgt ook voor vergroting van het werkple­zier.’[1] De onderzoekers zien hierin een ‘naïef optimisme’, want de werkelijkheid is volgens de onderzoeksresultaten minder rooskleurig. In verbinding staan met haar sociale omgeving is de meest strategische prioriteit van de politie maar de ontwikkeling met MEOS gaat naar meer verkeerscontrole en dataprofilering. ‘Dit is niet anders op te vatten dan als een omvangrijke strategische mismatch’, aldus de onderzoekers.

Toch krijgt de Minister op één punt in elk geval deels gelijk. In hulpverleningssituaties helpt de be­schikbare informatie de politiemensen soms in hun optreden, bijvoorbeeld als ze in hun systeem een telefoonnummer vinden van familie van een slachtoffer, zodat ze de familie kunnen waarschuwen.

Ook kunt u raadplegen: https://www.politieenwetenschap.nl/publicatie/politiewetenschap/2025/politiestraatwerk-en-informatiegebruik