Het lang verwachte boek van een veertigjarige briefwisseling tussen de Bolswarder P.C. Hooftprijswinnaar (toegekend in 1963, uitgereikt in 1964) Frits van der Meer (1904 – 1994) en zijn zuster Bertha Ida (Martina o.c.d., 1906 – 2001) is in druk verschenen. Hoewel, wegens het ontbreken van de verdwenen brieven die Martina aan haar broer Frits schreef, zijn het slechts de door Frits aan haar gestuurde brieven, afwisselend getypt en geschreven, die door Ton van Schaik (historicus en kenner van het katholicisme in Nederland) zijn bijeengebracht in het kloeke en fraai ingebonden boek ‘Kunsthistoricus Frits van der Meer aan zijn zus Martina, 1947 – 1987. Openhartige brieven over cultuur, geloof en landschap’.
Als we de ‘grote’ drie van r.k. Bolsward zouden mogen aanwijzen, zouden dat wellicht Pater Brugman, Titus Brandsma en Frits van der Meer kunnen zijn. Waarbij opgemerkt dat Brugman en Brandsma nooit Bolswarder zijn geweest, zodat Frits overblijft.

Het is niet mijn bedoeling op deze plaats het boek te recenseren, wel wil ik de lezer op enkele punten uit het boek attenderen, met name die welke een relatie met Bolsward hebben. Over Frits van der Meer (Frits Gerben, en niet Frits Gerben Louis!) heb ik op diverse plaatsen, hier, in kranten en tijdschriften en in boeken, al het een en ander geschreven. De door mij als schrijver zeer bewonderde Bolswarder van geboorte (kort op de Bagijnestraat gewoond en al voor de geboorte van zus Bertha op het adres Kleine Dijlakker 16 (en niet 18 zoals in de inleiding van het boek wordt gesteld)), begint langzaam maar zeker weer meer bekend te worden, ook in Bolsward.

Deze brieven geven een vaak intiem inkijkje in het Bolsward van zijn jeugd en in de latere bezoeken aan Bolsward, waarbij met name zijn ‘oude’ vrienden vaak genoemd worden. Over deze vrienden, zes stuks, schreef ik al eerder. Het is daarom goed te lezen dat al de zes door mij beschreven vrienden van Frits worden aangehaald in deze brieven: Foppe Molenaar, Hendrik de Bruin, Jan Hoogma, Jopie van der Klei, Jan Postma en Dirk Jorritsma.
Ook de familie ervan wordt soms uitgebreid benoemd. Zeker die van Foppe Molenaar en Hendrik de Bruin. Opvallend daarbij is dat hij de specifieke namen niet altijd op de juiste wijze schrijft, tenzij bij het noteren ervan voor dit boek het handschrift (te) onduidelijk was.
Opvallend vond ik de typeringen van sommige familieleden. Zo wordt de jongste zoon van zijn grote vriend Foppe Molenaar, Hans, door Van der Meer tijdens de latere bezoeken aan Frits’ geboortestad bode op het stadhuis van Bolsward, op een heel aparte, en mooie (!), wijze beschreven: Frits noemde hem een ‘Apollo’.

De vrouw en andere kinderen van Foppe beschrijft Frits ook uitgebreid en met passende teksten. Zijn weergave van de crematie van Foppe, waarbij hij op verzoek van oudste zoon Broer een toespraak hield, raakte me zeer.
Dezelfde ruime aandacht schenkt hij aan de familie De Bruin, de vriend die hij kende van de lagere school en die hij later in de Kerkstraat dikwijls, in een auto met chauffeur, bezocht.

In 1980 schrijft Frits aan Martine:
‘Tamminga was niet thuis; dus gingen wij, in de zonneschijn, naar Henk de Bruin; op zijn oude piano stond de trouwfoto: de jongen met het fijne dromerige Picasso-clown-kopje, hoge kuif, overernstige uitdrukking. Nu is hij een gelukkige oude man, wat kaal, tegen de 77; hij zingt in alle koren; speelde voor mij een Marialied (,) gedicht en geschreven door meester Van de Ven, ik herinner het mij nauwelijks; de man is gregoriaaner in hart en nieren, moet niets hebben van de bolswarder liturgie met al die dames op het koor; biecht nog; schrijft een mooi stukje in de Bolswarder krant over de Matthäus-passion uitgevoerd in de Grote Kerk. Ons boekje kent hij van buiten. Een kwieke zwarte dochter kwam op bezoek: zij is zo een die allerlei goede werken doet, zingt ook. Je ziet, de tuinknecht is een bloemenwinkelier geworden en de poëtische jongen is gebleven. Hij had allerlei oude groepsfoto’s, daarop zag je de heren Wiersma-goudsmid en de nog knappe heer Zelle, en een menigte anderen.’
De ‘kwieke zwarte dochter’ is Ada, enige tijd terug overleden, die me veel vertelde over de diepvriendschappelijke band tussen haar vader en Frits. Zie ook de serie ‘De Bolswarder vrienden van Frits van der Meer’.
Het is aardig om bij het lezen van dit, zeer door mij zeer aan te raden, boek zeker het boekje van Frits van der Meer ‘De kleine stad’ paraat te hebben. Opvallend in de inleiding is dat het oorspronkelijk boekje ‘De lytse stêd’ zou zijn. Daar zit echter een klein verhaal aan vast. Frits van der Meer schreef het werk met als titel ‘De kleine stad’, Nederlandstalig dus. Om het uitgegeven te krijgen, bij drukkerij Osinga in Bolsward, werd de Fryske Akademy gevraagd dat op zich te nemen. Dat wilde het bestuur van de Akademy wel, op voorwaarde dat het boekje in het Fries zou verschijnen! Frits ging akkoord, en dus werd de net door de Akademy met pensioen gestuurde en bekende dichter Douwe Tamminga gevraagd deze vertaling uit te voeren. Alzo geschiedde, met dus een ‘vertaalde’ titel.

De ‘juffrouw’ die lange tijd de plaatsvervangende moeder was van Frits en Bertha was geboren op 2 juni 1875 in Terband. In 1916 treedt ze in ‘dienst’ van Antonius van der Meer. Ze is dan afkomstig uit een eerdere betrekking in Schiedam. Ze zal tot juni 1963 verbonden blijven met de kinderen die ze hielp opvoeden in Bolsward. Enige tijd voor haar overlijden zal ze komen wonen, vanuit Amsterdam, in hetzelfde kloostergebouw waar Frits woonde, in Lent. Ook daar wordt ze begraven op het r.k. kerkhof. Zo’n 30 jaar geleden wees Kees Fens me de plaats aan waar ze lag, niet ver van waar Frits was begraven. Opvallend is dat de grafrechten van Willemina Laagland op naam kwamen te staan van Frits van der Meer. Deze schrijft in zijn brief aan Bertha van 8 juni 1963 indringend en luchthartig tegelijk over dat heengaan van ‘de Juffrouw’, door de kinderen van jongs af aan ‘de Bous’ genoemd.
Dit noterend, schiet me opeens een opmerking te binnen van Kees Fens. We stonden op het r.k. kerkhof in Lent. En we hadden het over de decennialange briefwisseling tussen Frits en Bertha, waar Kees vanaf wist. Hij vertelde me toen het volgende: ‘Ik zat een keer bij Frits aan tafel in zijn extreem schone en opgeruimde kamer daarbinnen (hij wees naar het kloostergebouw waar Van der Meer lange tijd woonde). Tijdens ons gesprek over zijn zuster Martine viel hij eensklaps stil. Hij trok een tafella open en vroeg me een brief te lezen die hij die ochtend van zijn zus ontvangen had. Dat deed ik. De letterlijke tekst weet ik niet meer, maar wat ik wel heb onthouden was de bevoogdende toon die uit de tekst sprak.’
Ik heb er niet op doorgevraagd…
Jammer genoeg zijn de brieven van Martina aan Frits niet bewaard gebleven.
Verrassend was ook het volgende.
In het boekje ‘De kleine stad’ maakte bij het lezen destijds de redding uit de Dijlakkergracht bij de ‘Veensbrûgge’ van de kleine Frits grote indruk op me. De jongen die hem redde, en die pas uit school kwam, kreeg een fikse longontsteking. Frits ging met zijn vader op bezoek bij de dan al doodzieke jongen. Die enige tijd later zal overlijden. Hij wordt niet met name genoemd in ‘De kleine stad’. Uit de brieven blijkt nu dat de achternaam van de dappere jongen Cuperus was. Een kind uit het gezin van Jan Cornelis Cuperus.

Verder worden ook genoemd de Bolswarder vrienden Jan Postma, die na 1922 tegenover het pand van Frits’ zijn ouders op de Grote Dijlakker 20 kwam wonen, en de oud-Bolswarder Dirk Jorritsma, de elders (Gelderland) woonachtige kunstzinnig aangelegde auteur van o.a. een aantal dichtbundels.

van het pand Grote Dijlakker 20.


Over zijn oude schoolvriend Jopie van der Klei schrijft hij in zijn brieven het volgende:
‘In Bolsward heb ik Jopie van der Klei (hij schrijft van der Klein), na zoveel jaren, thuis getroffen; hij begon aan één stuk herinneringen op te halen, ook veel, wat ik vergeten was; zijn vrouw, een hollandse, zat er bij, en genoot (voor hij binnenkwam uit de sociëteit, had zij mij gauw zijn onderscheidingen – schaatsbond, kaatsen, ook Oranje Nassau – laten zien; ze verstopte ze haastig toen hij de vroegere winkel, nu vestibule vol bloemen, binnenkwam); hij heeft een dik rood hoofd, even onschuldig als vroeger; toen ‘was’t uut’…. Jopie leed onder het feit, dat zij maar eenmaal in de maand hun dierbare latijnse mis mochten zingen…’

Ook deze brieven van Van der Meer zijn doordrenkt met gevoelens van afkeer jegens de progressieve veranderingen binnen de r.k. kerk waarvoor het Tweede Vaticaanse Concilie in de jaren ‘60 indirect had gezorgd en die ook binnen de plaatselijke kerk in Bolsward tot inhoudelijke reacties hadden geleid. Met name het verdwijnen van de Latijnse hoogmis leidde bij velen tot kerkelijke frustratie.
Frits van der Meer bleek de conservatieve ideeën van de kerk en haar liturgie volop voor te staan en de meer wereldse uitingen binnen de kerk soms streng te veroordelen. In Bolsward bleek uiteindelijk deze interne strijd in het voordeel van de progressieve stroming te eindigen. Daarbij speelde het priesterschap van pater Stolk, van 1967 tot 1997 pater van de Sint Franciscus Parochie, een voorname rol.
Wat me ook opvalt, is dat Frits in zijn brieven de mensen die wonen in het gebied achter de Sint Janspoort (Franekerstraat, Tranendal en Franekereind) ‘schorem’ noemt. Het betreft de arbeidersklasse die veelal bittere armoede leed.
De inhoudelijk sterke bijdragen van Ton van Schaik zijn keurig geordend in het boek, voorafgaande aan de brieven. Wel is het deel ‘De kleine stad’, waarin ook op historische onderwerpen van de stad wordt ingegaan, op een aantal punten twijfelachtig.
Waar ik al eerder over scheef, wordt ruimschoots bevestigd in dit brievenboek. Bij het beschrijven van met name de oude vrienden in Bolsward doet Frits dat meestentijds met termen die het uiterlijk van de mannelijke persoon duiden. Meer dan dat hij met vrouwen doet, die hij heel soms als ondergeschikt aan de man portretteert, beschrijft hij menig man met woorden die de lichamelijke aantrekkelijkheid van de persoon omschrijven. Van Schaik maakt hier in het boek ook melding van, maar voegt daar uitdrukkelijk aan toe dat Van der Meer het celibaat voorop stelde.
Dit brievenboek is de moeite van aanschaf zeker waard. Naast een intiem boek geeft het zeker ook een fraai inkijkje in de religieuze beleving van Van der Meer en zijn visie op de maatschappij in het algemeen. Intrigerend, kortom. Een prachtige en waardevolle aanvulling op al die boeken waarin de stad Bolsward en/of haar inwoners beschreven worden.

Het boek ligt al bij de boekhandel.
Nadat eerder al een eerste presentatie van het boek eind november heeft plaatsgevonden in Nijmegen, zal ook in Bolsward op vrijdag 20 februari a.s. in de geboortestad van Bertha en Frits een presentatie van het boek zijn en zullen enkele lezingen plaatsvinden. Dat zal gebeuren in het cultuurhistorisch centrum ‘De Tiid’, vanaf 2 uur ’s middags.
© Willem Haanstra.
Voor de bronnen en de foto’s verwijs ik u naar wat aangegeven staat bij de artikelen over Frits van der Meer, en over zijn Bolswarder vrienden, die ik schreef.